Helemaal in de huid van de wereld kruipen

Het boek is verschenen in 2002 en is, naar ik hoop, niet vergeten. Het is niet onopgemerkt geweest, maar niet aangezien voor het meesterwerk dat het wat mij betreft is. Tegen welk ander meesterwerk moeten we het afzetten? De literaire status van bijvoorbeeld Christopher Marlowe is altijd afgezet tegen – en belemmerd door – het werk van zijn jongere tijdgenoot William Shakespeare.

Het onderhavige boek zou vergeleken kunnen worden met Mei van Gorter, maar dit werk vertoont het ongeduld en de grilligheid van de jeugd, terwijl mijn meesterwerk een gerijpt en coherent karakter heeft. We moeten terug naar Pale Fire van Vladimir Nabokov en wel het gedicht van negenhonderdnegenennegentig regels – zonder het commentaar. En dan zal blijken dat dit romaneske gedicht het andere niet doet verbleken. Integendeel. De opwinding de geboorte van een meesterwerk te hebben meegemaakt, is van dezelfde biochemische orde als verliefdheid.

Het boek is De Aardse Komedie van Pieter Boskma. Natuurlijk, met zo'n titel vraag je om moeilijkheden, je hoort dat de messen al geslepen worden en als lezer kun je twee dingen doen: of je neemt de titel voor lief en stort je in het boek zelf, of je slaat de dwaalwegen van de toespelingen in – een overbodige exercitie, want wat voor allusies of ontleningen Boskma ook gebruikt, ze worden in een verhelderende context geplaatst en organisch in het geheel opgenomen, hetgeen eigen onderzoek overbodig maakt. Het is een provocatieve titel voor een provocatief boek.

De Aardse Komedie draait om de lotgevallen van de jonge fotografe Sarah, de mystiek ingestelde Hera en de dichter Tosk en hun onderlinge verhoudingen. Sarah en Tosk proberen de `huid van de wereld' vast te leggen, via poëzie of de camera: `en wazig spuwden/ op de grond naast hun caravans,/ zomaar, niet eens uit weerzin/ of melancholie, gewoon omdat het/ wel wat had, spuwen op dat dorre/ monster, wrede korst op alle wonder.'

Hera daarentegen ontstijgt aan tijd en ruimte in visioenen en bespiegelingen in een doorzichtige wereld. Wat ze allen delen is hun visuele krachten en ze worden verenigd door de poëzie. Het boek is een zoektocht naar de relatie tussen leven en poëzie – èn religie zou ik zeggen als de poëzie hier niet zelf een religieus karakter draagt. Poëzie is een staat van epifanie, van genade, maar wel van een heldere, introspectieve aard. Aards, inderdaad en ook fysiek: de erotiek krijgt veel aandacht.

Ik geloof niet dat het boek religieus, of nauwkeuriger gezegd katholiek is. James Joyce stelde de epifanie als poëtische tegenhanger van de revelatie en gaf het woord daarmee zijn heidense oorsprong terug, manifestatie. Boskma verwerpt het religieus-mystieke aspect niet, hij ziet er de werking en de oorsprong van de poëzie in, het hoogste waartoe een mens in staat is. Hij legt de religieuze reflexen bloot in een goddeloze geest.

Deze epifanie voltrekt zich precies op het breukvlak van verheffing en val. Daar waar het momentum breekt, daar begint het besef door te dringen in een moment van `evenwicht van gravitatie/ en cohesie': in de vrije val die daarop volgt, begint de poëzie. Een komedie staat oorspronkelijk voor een stuk dat goed afloopt en ik denk dat dat de reden is voor de titel (het boek is tevens doortrokken van humor). Het gaat om leven en herleven, geboorte en hergeboorte. En alleen poëzie kan die herhaling bewerkstelligen. Alles loopt goed af, zolang er maar dichtkunst bestaat. En zolang er dichtkunst bestaat, zijn er intense momenten van bewust leven.

Er komt een Dante voor in het boek. Deze werpt zich te pletter nadat hij seks heeft gehad met zijn zus, de schone Laura, die zwanger raakt. Incest is van belang, want leven en poëzie hebben een incestueuze band. Dante valt ter aarde. En zo weergaloos en onweerstaanbaar als Boskma die aarde daarvoor heeft beschreven, kan Dantes val niet tragisch zijn: hij valt een omgekeerd paradijs in.

Pieter Boskma: De Aardse Komedie. Prometheus 2002, euro 17,50