`Gezag dwing je niet af met functies en strepen'

Oud-volleyballer Peter Blangé hanteert tegenwoordig het gezag als trainer. Maar hij is een zwart-wit-denker gebleven. ,,De kracht van teams waarmee ik als speler succesvol ben geweest, was de blinde strijd om de winst.''

Peter Blangé zou de cultuur van `ja, maar' in de sport geïntroduceerd kunnen hebben, zo lagen als volleyballer de woorden nut en noodzaak in zijn mond bestorven. Zonder reden werd de speler Blangé opstandig en recalcitrant. Als trainer van eredivisieclub Nesselande is hij al even compromisloos. Omdat topsport volgens de vijfhonderdvoudig international zwart-wit-denken vereist. ,,Elke handeling moet gericht zijn op de absolute wil om te winnen; zelfs een tint grijs laat zich daarmee niet verenigen'', zegt de spelverdeler van het Nederlands team dat in 1996 olympisch kampioen werd.

Bij het woord gezag trekt Blangé zijn neus op. Hij vindt het een schools begrip met een negatieve klank. ,,Ik associeer dat met iemand die op zijn strepen staat, maar de vraag is natuurlijk of die persoon ook iets te melden heeft. Gezag betekent voor mij het nemen van verantwoordelijkheid – en ik voel me daar wel prettig bij. Het beste gezag komt op een natuurlijke manier tot stand en wordt niet afgedwongen met functies en strepen. Zo werkt dat ook in een team. In principe is iedereen gelijk, maar alle spelers weten altijd precies wie de baas is.''

Zijn macht als trainer wenst Blangé functioneel te gebruiken. Hij mag enige volgzaamheid op z'n tijd wenselijk vinden, zijn voorkeur gaat nadrukkelijk uit naar mondige spelers. Om die reden heeft hij de selectie van Nesselande karakterologisch samengesteld. ,,Ik wil geen lieverdjes, maar sporters die hun verantwoordelijkheid nemen. Ik zoek doorlopend de confrontatie, om mezelf én de spelers scherp te houden. Met spelers die afhankelijk zijn van een coach kom je nergens. Een volleyballer moet in het heetst van de strijd zelf denken en vooral zelf handelen.''

Zijn struggle for life heeft Blangé geleerd als speler in de Italiaanse competitie. Daar werd hij geconfronteerd met de eendimensionale opvattingen over topsport. Dat was aanvankelijk wennen voor de speler die bij het Nederlands team onder leiding van Arie Selinger had gewerkt volgens de strenge principes van saamhorigheid. Blangé: ,,Als er één ziek was, was je zelf ook een beetje ziek, zo ver ging dat destijds bij de nationale ploeg. Maar in Italië gold het recht van de sterkste. Als jouw scores maar goed waren en de recensies in de krant lovend, dan overleefde je wel weer een week. Alles draaide om winnen. Goed spelen en verliezen werd eenmaal gepruimd, maar een tweede keer had je de poppen aan het dansen. Dan kon het gebeuren dat de salarissen werden ingehouden. Kom daar in Nederland maar eens om. Ja, ik pikte dat, omdat je uiteindelijk wist dat het toch wel goed zou komen. In zekere zin gaf ik ze nog gelijk ook. Geef maar eens argumenten om een wanprestatie goed te praten; ik heb ze nog nooit gehoord. Ik zeg wel eens gekscherend tegen mijn spelers: `Als je slecht speelt, weet je hoe ik er over denk.' Maar die inhouding van loon leidde wel tot het spanningsveld om goed te presteren. Het is de oude truc dat de beste resultaten worden geboekt als een team zich tegen iets of iemand kan afzetten.''

De ideale trainer is Blangé in zijn spelersloopbaan nooit tegengekomen, wel coaches voor wie hij op grond van specifieke kwaliteiten respect had. ,,Ik heb in Italië trainers meegemaakt die de ballen verstand van volleybal hadden, maar onder wie we wel wonnen. In die gevallen namen wij als spelers zelf de verantwoordelijkheid, omdat we donders goed wisten wat er gedaan moest worden. In mijn tijd onder Selinger kon ik dat nog niet; toen was het een kwestie van volgen en meedoen met de rest. Op een goed moment kende ik echter al zijn trucjes en heb ik de nationale ploeg verlaten. Die verbondenheid als groep zag ik niet meer zitten, het past ook niet bij mijn karakter. En vergeet niet dat de goeroe zelf al naar Japan was vertrokken. Zijn zienswijze werd in de zaal alleen nog verkondigd door zijn opvolger Harry Brokking en dat klonk toch een stuk minder overtuigend. Natuurlijk had dat alles met gezag te maken. Ik accepteerde de boodschap wel van Selinger, maar niet van Brokking.''

Sinds Blangé zelf het gezag over een ploeg heeft gekregen, is zijn inlevingsvermogen groot, maar blijft zijn tolerantie begrensd. Zelfverzekerd: ,,Ik stel me niet drie niveau's boven de groep, maar ik bepaal wel wat er gebeurt. En daar ben ik heel rechtlijnig in. Ik wil altijd spelen voor de winst, ook als de play-offs nog niet zijn begonnen. De cultuur die je gedurende het seizoen creëert, bepaalt het succes in de play-offs. De kracht van ploegen waarmee ik als speler succesvol ben geweest, was altijd de blinde strijd om de winst. Het was niet altijd leuk. Verre van dat zelfs, maar we wonnen wel. Dat vind ik veel belangrijker dan met vrienden de boot ingaan. Trouwens, bij een nederlaag krijgen die vrienden vaak de grootste bonje met elkaar.''

De relatie met zijn spelers is voor Blangé een strikt sportieve. Wie hem niet volgt in zijn opvattingen, valt af. En wie niet presteert zal moeten plaatsmaken voor een ander. Zo hard is de trainer, die uit ervaring weet dat de afrekening wordt bepaald door de mate van succes. ,,Ik kijk puur naar de cijfers om spelers te beoordelen'', zegt Blangé. ,,Dat is primair mijn referentiekader. Ik beschouw elke wedstrijd als een functioneringsgesprek voor de speler. De fysieke component is belangrijk, maar het verschil wordt bepaald door de mentale kracht. Het gaat steeds weer over de vraag hoe je traint en welke invloed dat heeft op je ploeggenoten. Ik was altijd de pain in the ass voor mijn trainer en medespelers, omdat ik het nut niet inzag van oefeningen op kwantiteit. Een kwelling vond ik dat. Zo denk ik ook als trainer. Er gaat geen training voorbij zonder dat om de punten wordt gespeeld. De menselijke relaties zijn leuk maar in topsport ondergeschikt aan de prestatie. Sterker, amicale verhoudingen zijn vaak heel gevaarlijk.''

Blangé zal niet gauw zijn macht misbruiken, waarbij hij wijst op de botsing met bondscoach Toon Gerbrands, die hem in 1998 na een conflict over het aanvoerderschap tot zijn ontzetting uit de nationale ploeg zette. Toen Gerbrands hem en jaar later terugvroeg, is Blangé niet op zijn strepen gaan staan. ,,Ik had de macht, maar heb mijn rancune niet misbruikt. Als ik had geëist dat Gerbrands moest vertrekken, was hij weggeweest. Uit respect voor hem heb ik dat niet gedaan. Het was ook de afweging: wat win je en wat verlies je? Uiteindelijk bleek onze open communicatie de redding. Dat heb ik van Gerbrands geleerd. En tot op heden kan ik goed met hem overweg en hebben we nog steeds contact.''

Na zijn actieve loopbaan wierp Blangé zich op bestuurlijk werk. Hij werd voorzitter van de atletencommissie van sportkoepel NOC*NSF en uit hoofde van die functie uiteindelijk lid van het hoofdbestuur. De oud-volleyballer heeft dus deel uitgemaakt van het hoogste gezag in de sportwereld. Het was een eye-opener. Blangé: ,,Ik vond het een openbaring om in de keuken te kijken. Ik besef nu hoe moeilijk het manoeuvreren is en onder welke druk een bestuurder staat. Als sporter vind je al gauw dat zo iemand er weinig van snapt. Nou, ze moesten eens weten. Het grote verschil met de speelvloer is dat de processen achter de bestuurstafel trager verlopen. De botte bijl werkt daar echt niet; je moet diplomatiek zijn en vooral weten bij wie de macht zit en waar de belangen liggen. De enige overeenkomst met volleybal is dat je voortdurend strategisch moet denken. Maar je zult van mij geen kwaad woord over het bestuurlijke gezag horen. Als je ziet wat een bestuurder soms over zich heen krijgt, moet er toch een steekje bij hen loszitten. Ik heb groot respect gekregen voor als die vrijwilligers, vooral omdat ik heb gemerkt hoeveel liefde zij voor de sport hebben.''

Dit is de derde aflevering in een serie over gezag in de sport. De vorige delen verschenen op 20 en 23 december en zijn na te lezen op www.nrc.nl