Eenvoud boven alles

In een serie vertaalde klassieken deze week `De Gedichten' van Jean Cocteau (samengesteld en vertaald door Theo Festen. Athenaeum – Polak & Van Gennep, 263 blz. 21,50 euro)

Fransen zijn nooit te beroerd om een eerbetoon te brengen aan een van hun grote kunstenaars. Dit najaar was het de beurt aan de avantgardist Jean Cocteau. De aanleiding mocht dan wat vergezocht zijn (Cocteaus veertigste sterfjaar), de festiviteiten waren er niet minder om. Herdrukken en nieuwe edities, inclusief een uitgave in de onvermijdelijke Pléiade-reeks, een nieuwe biografie, dossiers in alle literaire tijdschriften, en een grote tentoonstelling in het Centre Pompidou.

Intellectueel Frankrijk is nog steeds verdeeld over Cocteaus verdiensten: bewonderaars prijzen diens vele talenten, critici noemen hem een touche à tout: een allesaanraker die zijn krachten versnipperde. Zelf klaagde de avantgardist ook al over zijn veelzijdigheid. Hij liet geen genre onbeoefend, tekende jurken voor Chanel maar ook de menukaart van zijn favoriete restaurant. Voor hem was er geen strikte scheiding tussen zijn verschillende activiteiten: `Schrijven, voor mij, is tekenen, de lijnen zo aan elkaar knopen dat ze schrift worden, of ze zo ontknopen dat het schrift tekening wordt'. Alles kon voor hem poëzie zijn, zo had Cocteau het over de `poésie de roman', of `poésie critique' voor zijn essays, `poésie graphique' voor de tekeningen.

Je kan je afvragen of dat betekent dat de poëzie zelf voor Cocteau het belangrijkste genre was, zoals Theo Festen suggereert in zijn onlangs verschenen bloemlezing van Cocteaus poëzie. Het is weinig waarschijnlijk dat een avantgardist als Cocteau überhaupt een hiërarchie tussen de genres aan zou brengen.

Festen lijkt een groot kenner en liefhebber van Cocteau, en weet zelfs nog correcties aan te brengen op de officiële Pléiade-editie van diens poëzie, maar als bloemlezer is hij wat onhandig. Zo laat hij de gedichten voorafgaan door een biografische inleiding, terwijl een beschouwing over Cocteaus plaats in de avantgardistische poëzie nuttiger zou zijn geweest. Bovendien is de biografie nauwelijks compleet: Festen slaat bijvoorbeeld de oorlogsperiode over, terwijl Cocteaus rol daarin behoorlijk complex geweest is. De kunstenaar had zo veel verschillende gezichten dat hij het klaarspeelde om zowel voor collaborateur te worden uitgemaakt als voor `gaulliste' vanwege zijn homoseksualiteit en zijn vriendschap met joden. Ook storend is Festens neiging om in die inleiding nogal kort door de bocht te gaan, bijvoorbeeld waar hij Cocteaus homoseksualiteit als een `persoonlijkheidsstoornis' kenschetst: `Je kunt aan Cocteau veel slechte karaktertrekken toeschrijven: hij had ongetwijfeld wat men tegenwoordig noemt een persoonlijkheidsstoornis. Hij was homoseksueel, narcistisch, was verslaafd aan opium en wat al niet meer'.

Het onbeholpen Nederlands van de inleiding kenmerkt helaas ook zo nu en dan de poëzievertaling zelf. Een excuus daarvoor zou rijmdwang kunnen zijn, maar Festen is weinig consequent in het volgen van het rijm van het origineel. Neem bijvoorbeeld het rijk rijm in het gedicht `Hommage à Erik Satie', waarin `lune' rijmt op `lune', `Afrique' op `Afrique', etcetera. Niets eenvoudiger voor een vertaler dan dat over te nemen, maar Festen koos ervoor dat niet in iedere strofe te doen. Misschien heeft hij daar een goede reden voor, maar daar laat hij zich in zijn al te summiere `verantwoording' zich niet over uit.

Andere keren laat Festen zich door de rijmdwang juist verleiden tot het gebruik van wat opgesmukte taal: van `meer pijn' maakt hij `feller smart', `bang zijn' wordt `schromen' enzovoort. Daarmee doet hij geen recht aan Cocteaus devies dat het gaat om `het op eenvoudige wijze zeggen van weinig eenvoudige zaken'.

Die eenvoud is de enige constante in een oeuvre dat een complexe beweging maakte van romantisch naar avantgardistisch, terug naar klassiek en ten slotte mystiek – een poëticale ontwikkeling die doet denken aan die van Paul van Ostaijen, de Vlaamse avantgardist die naar eigen zeggen door Cocteau beïnvloed was. Het is niet moeilijk je bij die invloed iets voor te stellen, als je Cocteaus gedichten leest met hun moderne, stadse onderwerpen en collagetechnieken. Bijvoorbeeld de `Ode aan Picasso' uit 1919, waarin Cocteau experimenteerde met de bladspiegel. Daarna ging hij echter lange, autobiografische verzen schrijven in een klassiekere vorm, zoals `Plain-chant', waarin de geliefde wordt bezongen, wiens slaap als voorbode van de dood wordt gezien:

Ik wil niet slapen zolang jouw gelaat, 's nachts,

Tegen mijn schouder rust

Denkend aan de dood die onverwacht

Tot dieper slaap ons kust.

Het is moeilijk om bij dit gedicht niet te denken aan Raymond Radiguet, Cocteaus piepjonge minnaar en de auteur van de bestseller Le Diable au Corps. Toen Radiguet onverwacht gestorven was, noemde Cocteau hem verder `L'Ange Heurtebise', door Festen vertaald als `Engel Zerewind':

De dood van de engel Zerewind

Was de dood van de engel, de dood

Zerewind was een engelen-dood,

Een engel-Zerewind-dood, [...]

Met zoveel autobiografische verwijzing is het niet wonderlijk dat Theo Festen de neiging heeft om de persoon Cocteau voor het oeuvre te zetten. De vraag blijft wel wat er over zou blijven van deze poëzie zonder die fascinerende man erachter. Misschien zouden we dan moeten instemmen met Du Perron: die gaf `gaarne heel Cocteau voor Le bateau ivre van Rimbaud'.