Een wieg met blauwe gordijntjes

NEW YORK. Op het adres 1000 Madison Avenue bevond zich lange tijd Sant Ambroeus. Van 1982 tot en met 2001 om precies te zijn. Mijn Duitse uitgever nam mij in de zomer van '97 mee naar Sant Ambroeus. Hij is een beetje doof en ze spelen er geen muziek, ik ben niet doof, maar houd niet van muziek tijdens het eten.

Ik werd een habitué, meer dan dat, een volgeling.

Met M. heb ik er vaak gegeten, maar vaak ook alleen. Met de Soepstengel, met Jin, met een vrouw die me een muis opstuurde, een knuffelbeest, nadat ik op deze plaats had geschreven dat haar geslachtsdeel naar dode muis rook. Wat misschien wel eerlijk was maar niet zo aardig. Ik zou het nu niet meer doen, denk ik. De kracht van literatuur zit in de censuur. Met Dorotea, een Zweedse uitgeefster die mooi over haar dochter kan vertellen, met Aap, met twee minderjarige meisjes uit Frankrijk, de ene heette Penelope, ze kregen geen alcohol geserveerd maar mochten wel pasta eten, met een Russin die voor een investeringsbank werkte, haar naam weet ik niet meer, met een donkere dame, Valery genaamd, die in een nachtclub serveerde en een zoon had, ik kocht voor haar een hond, later wilde ze ook nog dat ik voor haar een computer kocht. Daarop liep onze vriendschap stuk. Met Tommaso die last van ratten had, ze maakten meer lawaai dan de tv. Met mensen van een literaire vereniging uit Harderwijk. Met Ian. Met Pablo en zijn vrouw. Met Francesca en haar moeder toen de moeder nog dacht dat het wat zou worden tussen Francesca en mij. Met een vrouw die zich Miss Yavrum noemde, voor wie ik nog eens een halve avond in een klerenkast heb gezeten terwijl zij haar borsten aan een man toonde. Ook dat zou ik nu niet meer doen denk ik, maar ik weet niet of dat een vooruitgang is. Met Vincent, die mij sindsdien Nederlandse kranten opstuurt. Met Rebecca en haar zus, Rebecca was toen nog niet getrouwd, ze liet veel boeren en toonde me waar het vet zat. Met een jongen die ik nog kende van joodse les en die vrouw en kinderen in Los Angeles verlaten had voor iets anders, hij wist zelf nog niet wat. Met Eric, die at als een beest maar wel voor levendige conversatie zorgde. Met Vic, die dacht dat Sant Ambroeus Sam en Moos heette. Met Klaartje, die met haar videocamera hogerop wilde. Met Reinjan, die een voorschot bij zich had en toen ik even naar de wc was aan M. vroeg: vind je het niet erg om altijd in een restaurant te eten? Veel was erg, maar dat net niet. Met een mevrouw uit Los Angeles die knettergek bleek te zijn en verslaafd was aan een pijnstiller waarvan ik de naam vergeten ben, terwijl ik hem ooit, ten behoeve van de literatuur, genoteerd had op een stuk krant.

Er werkte een kale, lange ober, die bij sommigen de indruk wekte een seriemoordenaar te zijn, maar die in werkelijkheid de vriendelijkheid zelve was.

Dit vat de periode 1997-2001 zo'n beetje samen.

Eind september 2001 sloot Sant Ambroeus zijn deuren. Een kleine ramp voor wie geen rampen heeft om zich mee te sieren.

De eigenaars, vader en zoon, Italianen, fascisten, in al die jaren nog niet één espresso van het huis, hadden er genoeg van.

De periode 2001-2003 was Sant Ambroeusloos, daarom slaan we die over.

Afgelopen maandag ging Sant Ambroeus weer open, in een andere buurt, een jongere en hippere buurt. De vader was verdwenen, de zoon deed het nu met een zakenpartner, ook een Italiaan.

De dag erop ging ik er meteen heen, maar ze waren gesloten wegens een feest waarop alleen genodigden welkom waren. Ik wachtte tot zaterdagavond, toen deed ik een nieuwe poging terug te keren naar de plek die mijn verleden in New York, zo moet je het noemen, vrees ik, reduceerde tot de kern.

Die middag had ik een wieg gekocht, in de aanbieding, met een blauw gordijntje. De wieg zette ik in de slaapkamer, hij nam meer plaats in dan ik had verwacht. Ik moest oude kranten en het verzameld werk van Karel van het Reve opzijschuiven.

De zoon blijkt stukken aardiger nu zijn vader is verdwenen, en tot mijn vreugde is de lange, kale ober er ook.

Het interieur is sfeervoller geworden, net als de verlichting, het menu is van een Engelse vertaling voorzien, maar verder hetzelfde gebleven.

,,Daar zitten we weer'', zeg ik. ,,Net als vroeger.''

,,Vind je me veranderd?'' vraagt ze.

,,Nee'', zeg ik, ,,nee, je ziet er goed uit. Onveranderd.''

,,Heb ik niet meer rimpels gekregen?''

,,Ik buig me voorover, de sfeerverlichting is niet optimaal voor een dergelijk onderzoek.''

,,Niet meer rimpels, onveranderd, precies zoals ik zei.''

De kale ober neemt onze bestelling op, ook voor hem is het een sentimenteel moment. Hij weet alles, hij heeft alles gezien, maar hij zwijgt en hij zal altijd blijven zwijgen.

,,Ik ben helemaal niet misselijk, dus ik denk dat het een jongen wordt.''

Langzaam smeer ik een broodje.

,,Ben je bij een jongen minder misselijk dan?'' vraag ik.

,,Het schijnt.''

,,Lekker brood'', zeg ik, ,,vers.''

,,Hij weet niet dat ik hier ben.''

,,Nee'', zeg ik, ,,nee, natuurlijk niet.''

,,Hij is...''

Ze haalt een ijsklontje uit haar glas water.

,,Hij is gevaarlijk'', zegt ze, met het ijsklontje in haar hand.

,,Natuurlijk'', zeg ik. ,,Natuurlijk.''

Nederland komt me onbeduidend voor. Mijn negen jaar in New York, mooi, als je het samenvat, maar wel een tikkeltje treurig.

,,Hij is gepassioneerd.''

,,Natuurlijk'', zeg ik. ,,Van mij hoort hij niet dat je hier bent, niemand hoort iets van mij.''

Ik leg mijn hand op de arm die in het gips zit. ,,Vroeger op school schreven we daar onze namen op, weet je nog?'' Ik lach.

,,Ja'', zegt ze, ,,dat weet ik. Misschien moet jij je naam hierop schrijven.'' Ze haalt nog een ijsblokje uit het glas.

,,Moet je niet doen'', zeg ik.

,,Ik heb een plek nodig.''

,,Geen probleem'', zeg ik. ,,Ik heb vanmiddag een wieg gekocht, met blauwe gordijntjes.'' Ik trommel met mijn vingers zachtjes op haar gips, ik probeer vrolijk te klinken.

Veel energie is verloren gegaan met nutteloze ruzies, kleinzielige depressietjes. Onvermijdelijk als je het allemaal achter elkaar zet, alsof de goden het zo bedacht hebben, alsof het een uit het ander volgde en het niet anders had kunnen gaan, alsof ik alleen maar de aanwijzingen van een regisseur opvolgde, maar toch: Zoveel mensen van wie eerder afscheid had moeten worden genomen.

,,Kom'', zeg ik, ,,we gaan nu eerst eten, we gaan nu eerst lekker eten.''

Onze luidruchtige buren zijn jong en mooi.

Maar ze eet niet.

,,Waarom eet je niet? Is het niet lekker?''

,,Het is veel.''

,,Je bent nog helemaal niet begonnen.''

Ze opent haar mond en laat de plek zien waar een tand ontbreekt. Ze had altijd een mooi gebit gehad.

,,Het doet een beetje pijn'', zegt ze. ,,Het kauwen.''

,,Wil je misschien iets vloeibaars? Soep? Het maakt me niet uit van wie baby's zijn, baby's zijn baby's.''

,,Ik moet gewoon aan de linkerkant eten'', zegt ze.

Langzaam eet zij haar voorgerecht met één hand, ik pas mijn tempo aan.

,,Wil je misschien wat thee?'' vraag ik. Ik moet sterk zijn, het gaat niet om mij.

,,Is het erg voor een kind om geen vader te hebben?''

,,Het valt wel mee'', zeg ik, ,,geen moeder is erger.''

,,Hij mag niet weten waar ik ben.''

,,Natuurlijk niet'', zeg ik, ,,dat heb je al gezegd, niemand weet waar ik woon. Hij zal je niet vinden, niet hier, niemand zal je hier vinden. En die tand daar vinden we ook een oplossing voor, voor alles vinden we een oplossing.''

Ik buig me dieper over het eten, opdat mijn gezicht verborgen blijft.

    • Arnon Grunberg