De tijd voert alles mee

`Ik hoorde een lied dat langzaam verstierf.' Zo begint een gedicht van Willem Wilmink: `Waarom trekt men een droef gezicht / als een rijnaak met een klein licht / de nacht invaart?' Het is een mooi beeld, `filmisch', en iedereen zal het voor zich zien: de lange boot, groot en donker in de stille nacht, het langzaam over het water wegglijdende licht. Het roept een bezonken sfeer op en het geeft een licht gevoel van droefenis, maar waarom? Vanwege het afscheid misschien: de boot vaart weg en we zien hem nooit meer terug. Of door het ontroerende contrast tussen de grote zwarte bootreus en het kleine, dapper meevarende lichtje. Of stemt het droef omdat de gang van de boot meteen een beeld wordt voor het lot van de mens: eenzaam op weg door een groot duister rijk, spoedig opgeslokt door een zwarte moloch?

Wilmink geeft er geen antwoord op, maar laat de vraag meteen volgen door nog zo'n vraag en net zo'n sterk en sprekend beeld: `Waarom stemt een rangeerterrein / melancholiek, en wordt een trein / lang nagestaard?' De mengeling van zakelijk transport en gevoel, diesel en sentiment, trein en lichte tragiek is bekend, maar waarom stemt het zo droef? Om het besef dat ook de mens maar een vervoermiddel is, op een of ander verdeelcentrum door een of andere hogere wisselwachter ergens naartoe gedirigeerd? Om het element van afscheid en verdwijnen: vertrekken is een beetje sterven? Het lijken wel oerbeelden, al heel lang met hun bijbehorende betekenissen in de ziel aanwezig. Trein vertrek droef dood. Boot nacht lichtje weemoed.

In zijn dagboek schrijft Giacomo Leopardi (1798–1837) over zijn gevoel van bedroefdheid toen hij eens thuis, in zijn kamer, laat op de avond, door het open raam een paar boeren, op weg van een feest naar huis, in de verte een lied hoorde zingen – en, dat vooral, het lied langzaam hoorde wegsterven. Ook dat lijkt mij een oerbeeld, met een vergelijkbaar weemoedig effect. Stilte, nacht, eenzaamheid, bezonken stemming, het verdwijnen van iets. Je hoeft het niet eens uit eigen ervaring te kennen om te weten hoe het voelt. Bij Leopardi leidde het, zo schrijft hij, ook meteen tot een scherp besef van de vergankelijkheid en vergeefsheid van alles, in heden en verleden. Het Romeinse rijk, oorlogen, grootse daden, wapengekletter – het is allemaal weg en voorbij op deze stille avond, zo besefte hij op het moment waarop hij enkele flarden van een eenvoudig volkslied in de verte hoorde wegsterven.

Een vergelijkbare ervaring is te vinden in zijn gedicht `La sera del dì di festa, `De avond van de feestdag', geschreven in 1820, in zijn geboortedorp Recanati. Een lang gedicht, zesenveertig regels, zonder rijm, zonder strofering, maar wel met enkele inhoudelijke overgangen; je zou van scènes kunnen spreken. Het begint met een klassieke stemmingsbeschrijving. Heel traditioneel, maar ook heel eenvoudig, zonder effectbejag. In de vertaling van Frans van Dooren: `Zacht is de nacht en klaar en zonder wind, / en stil boven de huizen en de hoven / doezelt de maan, en 't bergland in de verte / rijst roerloos op in 't ijle licht.' Op een enkel balkon schijnt nog een lamp, maar in de meeste huizen wordt al geslapen. In een ervan ligt ook, tot groot verdriet van de dichter, een meisje, `in de kalmte van haar kamer' en `in een zorgeloze rust verzonken'. De situatie is klassiek: zij heeft hem afgewezen, en ook geen enkele hoop gelaten, maar hij kan zich daar niet bij neerleggen. Wat volgt is een klassieke klacht, van een onbegrepen minnaar, de wanhoop nabij na weer een dag met feest waarop zij zich weer met anderen heeft vermaakt, en dus niet met hem. `Ik vraag me af / hoe lang 't nog door moet gaan. En huilend werp ik / mezelf ter aarde.'

Tot zover is het zuivere romantiek, dertien in een dozijn, maar dan dient zich, plotselinge scènewisseling, een ander geluid aan, van buiten. `En ach, niet ver van mij hoor ik in de eenzaamheid / de zang van de ambachtsman die 's nachts nog laat / van zijn verstrooiing huiswaarts keert.' Het is niet echt een tegengeluid, en het heeft ook niet een ontnuchterend effect, zoals je misschien zou verwachten. Het verre lied in de stille nacht leidt ook niet tot verdringing van de ellende. Het wegstervende gezang verdiept en vergroot het liefdesverdriet juist.

Er zit iets driests in deze schaalvergroting: zoals het mij is vergaan, en zoals het deze dag is vergaan, en zoals het nu dit lied vergaat, zo moet het alles en altijd en iedereen zijn vergaan. `En o,/ mijn hart krimpt wreed ineen als ik bedenk/ hoe alles wat op aarde leeft voorbijschiet/ en haast geen spoor meer nalaat. Zie, de feestdag/ is al weer om, en op dit feest volgt weer/ een doodgewone dag, de tijd voert alle/ dingen der mensen mee.'

Met die laatste woorden begint Leopardi te klinken als de wijze Prediker uit het Oude Testament: `Waar is de stem / van de oude volkeren? En waar de roem / van onze vaderen, en 't grote rijk / van Rome, de oorlogen, en 't krijgsgedruis / dat over land en oceaan weergalmde?' Het is allemaal verdwenen: `Alles is vreedzaam nu, op heel de wereld / heerst rust, en niemand praat nog over hen.' Het leven als een vluchtige flard van een liedje, het is niet om vrolijk van te worden. En ook het slot biedt geen troost.

Na de klassieke Natureingang, de romantische liefdeslyriek, het sentimentele zelfbeklag en de wijze vergankelijkheidsles volgt nog een op kalme toon vertelde jeugdherinnering. De kalme toon is het meest bijzonder. Ook vroeger, als kind al, vertelt Leopardi, lag hij op zondagavonden op zijn bed te luisteren naar de geluiden en na te denken, `droevig en stil', en ook dan hoorde hij laat nog een lied dat op de paden langzaam verstierf. En, zo eindigt hij, even koel en kalm: `op dezelfde wijze / als nu, zo kromp ook toen mijn hart ineen.' Het is een schrijnend slot: Leopardi moet onder ogen zien dat hij na al die jaren nog steeds en even hevig lijdt aan het leven. Is dat nu aangeboren melancholie? Waarom is een jongen bedroefd als hij op een zondagavond in de verte iemand een lied hoort zingen? Leopardi geeft er geen antwoord op.

Wilmink weet het ook niet, als hij zich afvraagt waarom de aanblik van een wegvarende rijnaak (met een lichtje) droevig stemt, en waarom de mensen een trein altijd zo lang nastaren. Is het heimwee, vraagt Wilmink. Maar hoe kan een kind dat nog woont in het huis waar hij geboren is al aan heimwee lijden? `Wat is er dat hem denken doet / dat iets heel dierbaars al voorgoed / verloren is?' Misschien is er dan niet zozeer iets verloren, maar eerder iets bijgekomen: het besef van een ander leven naast het eigen leven. Het besef van een andere tijd en van een andere plaats, waar je bijvoorbeeld met een rijnaak naar toe kan varen, ook 's avonds laat nog, met een lichtje erop. Het besef van een andere ziel, die zomaar ergens een lied zingt, en zomaar in de nacht verdwijnt. En van nog een andere ziel, die op dit moment diep ligt te slapen, en niets van jou wil weten, ook niet als ze wakker is.

    • Guus Middag