De bakker mengt room met bloed

`Dan graven we in het zand een klein gat van zo'n dertig centimeter. We pakken Maria. Ze is braaf [...] We pakken haar bij haar nek. We geven haar een paar zoenen en steken haar hoofd in het gat. Dan dekken we af. We houden haar even zo. Een paar minuten.' Welkom in het gruwelkabinet van Niccolò Ammaniti. Met het huiveringwekkende proza van deze Italiaanse auteur konden we hier in Nederland eerder kennismaken dankzij de spannende roman Ik ben niet bang. Daarin staat de belevingswereld van een kind centraal dat door allerlei gevaren wordt belegerd. Vooral de evocatieve kracht waarmee een grofstoffelijke werkelijkheid werd verbeeld, maakte indruk.

In de vijf jaar eerder geschreven verhalenbundel Het laatste oudejaar van de mensheid is eveneens sprake van een zeer fysiek realisme, dat hier echter soms cartooneske proporties krijgt. In het bovenstaande citaat, afkomstig uit het verhaal 'Respect', betoont Ammaniti zich van zijn meest sinistere kant. De verteller is een jongen die deel uitmaakt van een groep jongens die na een avondje in de disco drie meisjes verkrachten en vermoorden alsof het een dagelijks tijdverdrijf betreft. In korte, afgemeten zinnetjes en op een laconieke toon wordt een ronduit onthutsend verhaal uit de doeken gedaan. Juist door het contrast tussen die volstrekt nuchtere vertelwijze en de weerzinwekkende inhoud komt het verhaal als een verwoestende vuistslag aan.

Minstens zo gewelddadig maar uitzinniger en buitenissiger zijn de zes andere verhalen in de bundel. Een harpoen die een bedrogen echtgenoot doorboort, een vuurpijl die een new-ageheks uiteenrijt op het moment dat ze klaarkomt, een psychotische seriemoordenares die haar slachtoffers met breinaalden perforeert, een Sony Black Trinitron met 58 kanalen die de schedel van een drankzuchtige harpist klieft, een drugskoerier die een maffioso te lijf gaat met een Maleise kris, een weemoedige banketbakker die in de hoedanigheid van huurmoordenaar room met bloed mengt. Tot dergelijke bloeddorstige en krankzinnige taferelen verstout Ammaniti zich en daarmee bewijst hij ondubbelzinnig een bentgenoot van Quentin Tarantino te zijn. Hetzelfde swingende bloedvergieten, dezelfde feestelijk geëtaleerde perversies, een overeenkomstige voorliefde voor het uitvergroten of kantelen van clichés en het hanteren van uiteenlopende genres en stijlkenmerken.

Aan bonhomie heeft Ammaniti een broertje dood. Hij is verzot op ontsporingen, op een wereld die op hol slaat en ter helle gaat. Dat komt het duidelijkst aan het licht in het schitterende, 120 bladzijden lange titelverhaal. Daarin voert Ammaniti een bont gezelschap ten tonele, bestaande uit onder meer blowende jongeren, hooligans, een masochistisch-fetisjistische advocaat, een gigolo op bezoek bij een 70-jarige gravin, inbrekers, een overspelige econoom en een vrouw die de techniek beheerst om `de vier kosmische orgasmen' te bereiken. In de verschillende appartementen van twee aangrenzende gebouwen in de Romeinse periferie vieren ze oudejaarsavond, onkundig van het feit dat ze de personages zijn van ramprapsodieën die gezamenlijk afstevenen op één collectieve catastrofe. Door middel van rappe scènewisselingen wordt een bacchantisch verhaal verteld dat gulpt van schelms vertelplezier en doet denken aan `Brand in de Keplerstraat', het beste verhaal van Carlo Emilio Gadda, hoewel Ammaniti's metaforiek onbehouwener en zijn taalgebruik schonkiger is. De wijze waarop de vele plotlijnen uiteindelijk wonderbaarlijk convergeren herinnert aan de film Magnolia van Paul Anderson. Ammaniti kent zijn klassiekers (zijn culturele bagage schijnt overigens meer videobanden dan boeken te bevatten), en net als Tarantino knipoogt hij er lustig op los terwijl hij feilloos het zicht behoudt op de mise-en-scène van zijn eigen freakshow.

Ook in de ietwat minder geslaagde verhalen `De zoöloog' en `Modder' paart Ammaniti satanische waanzin aan rabelaisiaanse ranzigheid (braaksel op merkkleding, darmen die zich manifesteren vanwege laxeermiddelen, een zombie die in afvoerkanalen poedelt, naar stront ruikende heroïnebolletjes). Minder kolderiek en scabreus, meer een boos sprookje à la David Lynch, is het bloedstollende verhaal `Papier'. Een man die op de afdeling ongediertebestrijding en desinfectie werkt gaat samen met twee collega's op pad omdat uit het appartement van een woonkazerne een gruwelijke stank komt. Het blijkt de woning te zijn van een gek geworden gravin die vuilnis en zwerfkatten `verzamelt'. Behalve torenhoge krantenstapels, opengereten vuilniszakken en kakkerlakken ontwaren de drie mannen een `kattenapocalyps': aan een kroonluchter en waslijnen hangen `glibberige karkassen' en `grauwe ingewanden, bruine darmen, scharlakenrode organen.' Walgend maar tegelijk gedreven door een `morbide nieuwsgierigheid' gaan ze op zoek naar de gravin, die ze ten slotte in haar slaapkamer aantreffen. Wat er vervolgens gebeurt is het meest verpletterende bewijs dat Ammaniti een dekselse fabulant is.

De bundel eindigt met de in een schokkerig ritme vertelde liefdesgeschiedenis van een hoerenloper en een hoofdzakelijk uit metaal bestaande jongedame. `Terwijl we het doen, hoor ik de geluiden die de raderwerken maken, het geruis van de stuurbekrachtigingen, het gezoem van de kogellagers. We doen het in alle standjes. In de kruiwagenstand. De hijskraanhouding. De bulldozerstand. De tandartsstoel.' Het moge duidelijk zijn: Het laatste oudejaar van de mensheid is onweerstaanbare pulpfictie.

Niccolò Ammaniti: Het laatste oudejaar van de mensheid. Uit het Italiaans vertaald door Jan van der Haar. Wereldbibliotheek, 303 blz. euro 19,90

    • Peter Drehmanns