Ambulance moet sneller, maar hoe?: `Wie regels volgt, komt niet op tijd'

In een drukke stad lukt het ambulances niet altijd in een kwartier ter plaatse te zijn. Laat staan binnen acht minuten. Drempels, paaltjes en onzekere bestuurders geven oponthoud.

Met grote snelheid en luide sirene scheurt ambulancechauffeur Kees van Rij van de GGD Schiedam een woonerf in. Zeventig kilometer per uur geeft de teller aan. Samen met verpleegkundige Wilma Jansen heeft hij net een melding gekregen: een kind ligt met schokkende bewegingen in een huiskamer in Schiedam. Een spoedrit. Van Rij negeert een rood stoplicht en een waarschuwingsbord: `U rijdt te snel'. Zeven minuten na de melding parkeert hij de ambulance voor het huis van de jongen.

Toch is het nog niet binnen de aanrijtijd van acht minuten die de Raad voor Volksgezondheid en Zorg (RVZ) vorige week adviseerde. Die tijd is namelijk inclusief de minuten tussen melding bij de alarmcentrale en het vertrek van de ambulance. Door het terugbrengen van de rittijd van vijftien naar acht minuten zouden volgens de raad 225 mensenlevens per jaar te redden zijn.

Bij de ambulancedienst GGD Schiedam werken 16 chauffeurs en 17 verpleegkundigen. Van Rij en Jansen hebben van 15.00 tot 23.00 uur avonddienst. De aanrijtijd van acht minuten halen ze bij geen van de ritten die avond. Het is een drukke avond. De situatie van de jongen in Schiedam blijkt mee te vallen. Jansen adviseert de ouders met het kind, dat waarschijnlijk door zware griep is flauwgevallen, naar de huisarts te gaan.

Dan rijden de ambulancewerkers weer terug naar de post in Schiedam ,,Het advies is dat we sneller bij een ongeluk moeten zijn, maar aan de andere kant komen er steeds meer drempels en paaltjes bij. Waardeloos'', zegt chauffeur Van Rij. Ook op de snelheidsrichtlijnen heeft hij kritiek. ,,Volgens de richtlijn mag een ambulance niet meer dan twintig kilometer te hard rijden. Maar ik rijd echt wel te hard als er eentje ligt dood te gaan. Als je je aan alle regels zou houden, kom je nergens meer op tijd. Zeker niet binnen acht minuten.''

Behendig stuurt hij de ambulance tussen de andere auto's door in de garage van de ambulanceplaats, één van de drie van de regionale hulpverleningsdienst Rotterdam-Rijnmond. Bij deze post duurde 5,4 procent van de ritten in de eerste helft van dit jaar langer dan 15 minuten, volgens teamleider Joop Brokaar. ,,Daarbij was doorgaans sprake van een te grote reisafstand, een onduidelijke melding of er waren te weinig auto's beschikbaar.''

Als de aanrijtijd bekort zou worden naar acht minuten zou volgens Brokaar ,,meer dan de helft'' van zijn ambulances die grens overschrijden. ,,Om die aanrijtijd te halen, zou je hier in de stad drie posten moeten creeëren en twintig extra wagens nodig hebben. Landelijk zou volgens het advies 200 miljoen euro nodig zijn voor de kortere aanrijtijden. Volgens mij is dat maar een kwart van het werkelijke bedrag. Ik begrijp helemaal niks van het advies. Echt onzin.''

Even later hebben Van Rij en Jansen weer een spoedrit. Een melding van een man in Rotterdam-West, die een zelfmoordpoging heeft gedaan en onaanspreekbaar is. Van Rij moet oppassen op de weg. Door ijzel is het op sommige stukken spekglad. Een rode auto die voor de ambulance rijdt, gaat pas laat aan de kant. ,,Veel bestuurders weten niet wat ze moeten doen'', zegt ambulanceverpleegkundige Jansen. ,,Ik mag het niet zeggen, maar het zijn meestal vrouwen die niet auto kunnen rijden.''

Zeven minuten later arriveert de ambulance. De man heeft de politie bedreigd, die hem met pepperspray in het gezicht heeft proberen te bedaren. De man is niet zwaargewond, maar weigert op te staan. Op een brancard wordt hij in de ambulance gebracht. De ambulancemedewerkers brengen hem over naar het politiebureau. Wilma: ,,De politie helpt ons zo vaak, nu kunnen we iets terugdoen.''

    • David Haakman