`Acht minuten is de norm'

Ambulances zouden in levensbedreigende situaties binnen 8 minuten ter plaatse moeten én kunnen zijn, zo adviseerde de Raad voor de Volksgezondheid en Zorg (RVZ) vorige week aan minister Hoogervorst (Volksgezondheid).

Door standplaatsen efficiënter over het land te verspreiden, en door ze op sommige plaatsen te integreren met huisartsenposten bijvoorbeeld. Of door één landelijke telefoondienst voor acute zorg in te stellen. De minister reageerde direct. Nu mogen de ambulances er nog 15 minuten over doen, aldus zijn woordvoerder, en het kost al veel moeite en geld om dat te waarborgen. De minister heeft er wel 18 miljoen euro voor over om de ambulancezorg beter te organiseren. Bijvoorbeeld door een betere spreiding van de standplaatsen van ambulances.

De 15-minuten norm stelt dat een ambulance bij een spoedeisende situatie binnen een kwartier na melding ter plaatse moet zijn. Daarvan zijn twee minuten voor de CPA, de meldpost, om het telefoontje te verwerken en opdracht te geven aan de dichtsbijzijnde standplaats. De meeste gebieden kunnen binnen een kwartier bereikt worden. In dunbevolkte gebieden en in de grensgebieden is dat lastiger. De gebieden die buiten de norm vallen betreft in totaal 7,2 procent van de bevolking (ruim 1,1 miljoen inwoners). Om de héle bevolking binnen 15 minuten bereikbaar te maken, moet volgens het RIVM het aantal ambulanceplaatsen worden opgeschroefd van 195 tot 296.

De 15-minutennorm is al langer omstreden. De norm is gebaseerd op het `golden hour' dat traumatologen hanteren. Een patiënt die binnen een uur behandeld wordt, heeft betere overlevingskansen. In de drie kwartier nadat de ambulance ter plaatse is kan de patiënt worden behandeld en zo nodig naar het ziekenhuis worden gebracht.