Wat Gaddafi niet mag, moet Bush ook niet doen

Het onderzoek van de regering-Bush naar de mogelijkheid nieuwe typen kernwapens te produceren, strookt niet met de pressie op Libië en andere `schurkenstaten' juist af te zien van militair toepasbaar nucleair potentieel, vindt Kees Homan.

Vrijwel onopgemerkt heeft het Amerikaanse Congres onlangs, naast een defensiebegroting van 401,3 miljard dollar met een aanvullend bedrag van 87,3 miljard dollar voor militaire actiteiten in Afghanistan en Irak, ook nieuwe ontwikkelingen op het gebied van nucleaire wapens goedgekeurd. Zo is 7,5 miljoen dollar uitgetrokken voor onderzoek naar een Robust Nuclear Earth Penetrator (RNEP). De RNEP is bedoeld om diep gelegen vijandelijke ondergrondse faciliteiten te vernietigen. Volgens het Pentagon zijn er meer dan zeventig landen die over zo'n 1400 ondergrondse commandoposten en installaties voor ballistische raketten en massavernietigingswapens beschikken.

Daarnaast is voor onderzoek naar nieuwe typen nucleaire wapens, waaronder de zogenoemde mini-nukes, 4 miljoen dollar beschikbaar. In verband hiermee is een uit 1993 daterend verbod op onderzoek naar kleine kernwapens van minder dan vijf kiloton opgeheven. Ter vergelijking: de atoombom op Hiroshima had een vernietigingskracht van vijftien kiloton. Ten slotte is 10,8 miljoen dollar uitgetrokken voor een Modern Pit Facility. Deze is bestemd om enige honderden nucleaire wapens per jaar weer gebruiksklaar te maken. De uiteindelijke kosten hiervoor zullen waarschijnlijk zo'n vier miljard dollar bedragen. Kortom, het lijkt erop dat er een nieuw tijdperk voor kernwapens is aangebroken.

Over de rol van Amerikaanse kernwapens meldde het ongepubliceerde rapport `Future Strategic Strike Forces' van de wetenschappelijke raad van het Pentagon de afgelopen zomer, dat het huidige nucleaire arsenaal niet voldoet aan de toekomstige nationale veiligheidsbehoeften, omdat potentiële vijanden geloven dat de vernietigingskracht van de Amerikaanse wapens te groot is om ze te gebruiken. Het rapport stelt dat kleinere kernwapens niet alleen de bijkomende schade (collateral damage) kunnen beperken maar dat hun mogelijk gebruik ook geloofwaardiger is. Met andere woorden: indien je met nucleaire wapens wilt afschrikken moet een vijand ook geloven dat je ze wilt gebruiken.

Met het onderzoek naar nieuwe nucleaire wapens geven de Verenigde Staten een verkeerd signaal. Nucleaire wapens krijgen immers een `bruikbare' rol op het gevechtsveld. De relatief kleine kernwapens zullen echter de grens tussen conventionele en nucleaire oorlog doen vervagen. Bedacht dient te worden, dat wegens de langetermijngevolgen nucleaire wapens fundamenteel anders zijn dan welk wapen dan ook. Daarnaast zal de radioactieve fall-out die met de inzet van deze wapens gepaard gaat vele slachtoffers eisen. Ook is niet uitgesloten dat nucleaire explosies gericht tegen chemische en biologische wapens, juist dodelijke chemicaliën of biologische bacteriën verspreiden in plaats van ze te vernietigen.

Bovendien is er sprake van het meten met twee maten. Het is ongeloofwaardig de nucleaire ambities van andere landen fel te kritiseren en tegelijkertijd zelf nieuwe `bruikbare' kernwapens te ontwikkelen. Dit is ook in strijd met de verplichting van het Non-Proliferatieverdrag (NPV) om de afhankelijkheid van nucleaire wapens te verminderen. Het is bovendien in strijd met de slotverklaring van de toetsingsconferentie van het NPV van mei 2000, waarin de officiële kernwapenstaten `ondubbelzinnig' hebben beloofd hun kernwapens ooit weg te zullen doen.

De regering-Bush sluit ook niet uit dat voor de ontwikkeling van de nieuwe kernwapens extra proeven vereist zijn. Dit zou betekenen dat de VS het moratorium op kernproeven niet meer in acht zullen nemen. Bij dit moratorium zijn ook de overige officiële kernwapenstaten (China, Frankrijk, Rusland en het Verenigd Koninkrijk) aangesloten. Dit `test-verbod' vormde voor een groot aantal bij het NPV aangesloten landen een voorwaarde om akkoord te gaan met de verlenging van dit verdrag voor onbepaalde tijd.

De proliferatie van massavernietigingswapens staat hoog op de agenda van de NAVO en de Europese Unie. Het beleid van de regering-Bush op het gebied van kernwapens is echter een nieuw voorbeeld van het Amerikaanse unilateralisme. De Amerikaanse plannen kunnen een tijdbom leggen onder het Non-Proliferatieverdrag uit 1968, waarbij 188 landen zijn aangesloten. Kortom, het Amerikaanse `do as I say, not as I do'-beleid ondermijnt juist de Amerikaanse pogingen een halt toe te roepen aan de verspreiding van massavernietigingswapens. Nu Libië wat het produceren van massavernietigingswapens betreft op zijn schreden is teruggekeerd, en andere landen op dit punt de wacht is aangezegd, zou het de Amerikanen sieren zich te conformeren aan de gemaakte afspraken. Dat geldt zeker nu de VS meer aan defensie uitgeven dan alle overige landen in de wereld samen.

Kees Homan is generaal-majoor der mariniers b.d. en verbonden aan het Instituut Clingendael.

    • Kees Homan