Vrije muziek

Internet als ultieme vrijplaats ligt onder vuur. Het weekblad The Economist sprak onlangs treffend over `balkanisering'. Scheidslijnen en grenzen op het wereldwijde web die vervaagd leken, worden opnieuw getrokken. Zo is de platenindustrie een juridisch offensief begonnen tegen het uitwisselen van muziek via internet. De bedrijfstak beschikt over een machtig instrument, het auteursrecht. Dat is naar zijn aard een exclusief verbodsrecht waarin het gebruik dat consumenten maken van producten niet wordt gezien als een vanzelfsprekend uitgangspunt maar als een beperking van de rechten van de producent. Diens positie staat voorop. Toch laat de dynamiek van internet zich niet makkelijk bedwingen, zo blijkt uit recente rechterlijke uitspraken uit verschillende hoeken. De ene is afkomstig van de Hoge Raad der Nederlanden en betreft het internetuitwisselingsprogramma Kazaa. De tweede uitspraak werd gedaan door het federale Hof van beroep in Washington DC in een zaak tegen de internetserviceprovider (ISP) Verizon. En zojuist sprak een hof van beroep in Oslo een jeugdige Noor vrij die de technische beveiliging van zijn dvd's had gekraakt en deze methode op internet had gezet.

De Hoge Raad wees een vordering tegen Kazaa af, dat de uitspraak verwelkomde als een complete rechtvaardiging van zijn methodes. Maar het laatste woord over deze zaak lijkt nog niet gezegd. Voorlopig staat wel overeind dat Kazaa de door de platenindustrie geëiste aanpassingen niet hoeft aan te brengen. Dat is op zichzelf een praktische opsteker. Kazaa hamert erop dat het niet zelf betrokken is bij de uitwisseling van beschermd materiaal. Het levert alleen programmatuur die ook voor volkomen geoorloofde uitwisseling kan worden gebruikt. Kazaa zegt daarbuiten te staan. Dat zou het grote verschil zijn met het populaire programma van de wél afgeschoten voorganger Napster, dat draaide op een soort centraal verbindingspunt.

De reactie op het verweer van Kazaa laat zich raden: de industrie gaat individuele gebruikers die zonder toestemming muziek uitwisselen rechtstreeks aanpakken. Om dat te doen is veelal medewerking nodig van een ISP die gegevens over zijn klanten ter beschikking van de auteursrechtenjagers moet stellen. Verizon weigerde dat, maar werd veroordeeld. In hoger beroep is deze veroordeling nu ongedaan gemaakt met een overweging die doet denken aan het verschil tussen Kazaa en Napster. Zolang een ISP zich, zoals Verizon, beperkt tot een passieve rol van louter `doorgeefluik' voor internetverkeer, hoeft hij geen informatie over zijn klanten te verstrekken. Dat is alleen het geval wanneer hij zelf – als host – betrokken is bij het gebruik dat zij van internet maken. Het onderscheid dat het hof in Washington maakt is cruciaal voor de internetvrijheid, want de ISP vormt een maar al te kwetsbare flessenhals voor de surfers op het wereldwijde web.

De Noorse vrijspraak vormt een waarschuwing bij een andere trend in het moderne auteursrecht: technische beveiliging van de producten. Dat mag niet zo ver gaan dat het internet op slot gaat, zoals een Amsterdamse hoogleraar heeft gewaarschuwd. Maar waarom is het nodig zo moeilijk te doen over de methoden van de muziekindustrie? Het valt immers niet te ontkennen dat de vervaardiger van een artistieke prestatie recht heeft op een billijke vergoeding. Afgezien van de consumentenvrijheid is een goede reden zich toch druk te maken over kwesties als Kazaa en Verizon dat de greep op individuele gebruikers van internet, die de muziekindustrie opeist, niet beperkt blijft tot de laatste single van een populaire popgroep. Hij vormt ook een bron van inspiratie voor allerlei overheden in de wereld. China bijvoorbeeld, een grote groeier op internet – maar wel onder het wakend oog van de communistische partij.