Stì-ì-ì-ì-hille nacht

Kerstliederen werden door Rascha Peper vroeger zo gloedvol vertolkt, dat haar vader suggereerde ze op zolder verder te perfectioneren. Daar was de akoestiek immers veel beter.

In het gereformeerde dorp op de Utrechtse Heuvelrug waarin ik ben opgegroeid, trok in de kerstnacht een zangkoortje van de kerk langs de huizen van bejaarden en zieken om de bedlegerigen met kerstliederen te vertroosten mits zij gereformeerd waren natuurlijk. Misschien bestaat de gewoonte nog steeds.

Ons huis viel ieder jaar onbedoeld en onverdiend in de prijzen. Wij behoorden niet tot de doelgroep, maar we woonden tegenover een verpleeghuis op christelijke grondslag en het koor ging altijd onder de reusachtige beuk tussen beide huizen staan. Als kind hoorde ik mijn ouders de volgende dag over het nachtelijk gezang spreken (,,prachtig, zo helder als je `Nu sijt wellecome...' door de stilte hoort'', zei mijn moeder dan). Zelf werd ik er nooit wakker van, hoe graag ik dat ook wilde, want het nachtelijk ritueel appelleerde zeer aan mijn jeugdig gevoel voor mystiek. Ik bezwoer mijn moeder altijd om mij volgend jaar te wekken als het zover was, maar ze heeft het nooit gedaan.

Toen ik een jaar of twaalf was, vertelde mijn gereformeerde vriendinnetje dat zij dat jaar met Kerstmis deel mocht uitmaken van het zangkoortje, zodat ze pas diep in de nacht op bed zou liggen. Bij mij sloeg een snerpende jaloezie toe, die zich niet liet verdrijven door de achteloze bewering dat ik met oud en nieuw `de hele nacht niet naar bed ging'. Op school oefenden we al een paar weken kerstliederen en daar deed ik hevig mijn best op. Het stond buiten kijf dat míjn Stille Nacht het mooist en zuiverst van de hele klas klonk. De kristallijnen trillers die ik wist te bereiken bij `die miljoe-oe-oe-nen eens zaligen zal...' of bij `Hij-ij-ij-ij der schepselen Hee-heeer...' waren ongeevenaard. Ook de andere kerstliederen werden door mij, op school of thuis, zo gloedvol vertolkt dat mijn vader wel eens opmerkte dat ik ter verdere perfectionering maar op zolder moest gaan zitten; daar was de akoestiek veel beter dan beneden.

Op kerstavond van dat jaar was ik het zangkoortje niet, zoals anders, allang weer vergeten. De hele dag had ik met een plan rondgelopen: ik zou wakker blijven tot mijn ouders naar bed gingen, dan geruisloos naar beneden sluipen en achter de voordeur de komst van het zangkoor afwachten. Zodra dat naderde, zou ik naar de holle rododendronstruik in onze voortuin snellen om van daaruit op een gepast moment in te vallen in de liederen. Dat hele christelijke stelletje, inclusief mijn vriendin en liefst ook mijn ouders met hun stomme zolder, zouden op hun nummer gezet worden door een onverwacht wonderschone stereoklank, alsof er een engel meezong.

Wie zich afvraagt waarom ik niet gewoon gevraagd had mee te mogen zingen die nacht, heeft de verhouding tussen gereformeerden en onkerkelijken van veertig jaar geleden niet meegemaakt. Ik zou eerder onze oude, geschifte krantenbezorger gevraagd hebben mee te mogen op zijn ronde dan bij mijn vriendin met dat voorstel aan te komen. In zulke zaken leefden wij in gescheiden werelden.

Door middel van een wekker onder de dekens lukte het die avond zowaar om wakker te blijven. Zodra ik meende dat mijn ouders sliepen, trok ik de klaargelegde warme kleren en schoenen aan, wist alle kraakplekken op overloop en trap te vermijden en belandde om een uur of twaalf met de wekker op zak; een horloge had ik nog lang niet beneden in de hal. Of de voordeur zonder geluid van de knip te schuiven viel, was nog onzeker, wel zeker was dat de twee honden een vervelend probleem vormden.

De honden sliepen in een mand in de hal, maar stonden al kwispelend en onuitstaanbaar hijgend en piepend onder aan de trap toen ik beneden kwam.

Wetend dat mijn moeder van ieder ongewoon hondengeluid wakker werd, putte ik me in het donker uit in onhoorbare bezweringen om ze terug in hun mand te krijgen. Toen dat eindelijk gelukt was, wist ik niet anders te doen dan doodstil naast de voordeur te staan. Er viel in de verste verte nog geen gezang te horen en ik voelde er niets voor om alvast in de steenkoude nacht onder die rododendron te gaan zitten. Na een tijdje liet ik me op een plaid op de vloer zakken, maar dat vonden de honden zo raar dat ze weer uit de mand kwamen, om me heen gingen drentelen en ook op de plaid wilden liggen.

Ten slotte was ik ze te slim af door ze samen op de plaid te dirigeren en zelf in de mand te gaan liggen. Het was half een en het koor liet nog op zich wachten.

Een van de honden vlijde zich stiekem naast me en ik liet het maar zo. De tweede kwam een poosje later, kon er niet goed bij en ging dus maar half over mij heen liggen, wat wel lekker warm was. Het was een uur. Geen koor.

Toen ik wakker werd, was het ver na tweeën. Slaapdronken waggelde ik de trap op en was net mijn schoenen aan het uitschoppen toen de slaapkamerdeur van mijn ouders openging.

,,Wat ben jíj daar aan het doen?!'' klonk de stem van mijn vader in het donker. ,,Ben je ook wakker geworden van dat verdomde gezang?''

,,Ja'', zei ik dankbaar.

,,Gauw plassen en weer in je bed!''

,,Wat doet die wekker nou in de hondenmand?'' vroeg mijn moeder op eerste kerstdag.

Dat zijn we nooit te weten gekomen.

    • Rascha Peper