Universiteiten ongelijk

Het wordt hoog tijd dat er een einde komt aan de fictie dat alle Nederlandse universiteiten en hogescholen hetzelfde niveau hebben. Goede studenten worden te weinig geprikkeld door de massale grauwheid van het hoger onderwijs, terwijl aan de andere kant bijna een derde van de studenten tijdens de studie afvalt. Studenten zelf selecteren allang op kwaliteit en hogere opleidingen maken reclame met wat hen van concurrenten onderscheidt. Staatssecretaris Nijs van Onderwijs volgt deze trend door onderscheid wettelijk mogelijk te maken, niet alleen in het peil van de opleiding, maar ook in het geheven collegegeld dat nu 1.445 euro bedraagt. Universiteiten en hogescholen mogen toelatingseisen gaan stellen, afhankelijk van het niveau van de opleiding. Daarbij wil ze voor belangrijke bèta-opleidingen en zorgopleidingen het collegegeld kwijtschelden of verminderen. Bij gebleken succes van een aantal experimenten binnen het kader van de wet, wil ze de wet veranderen.

Toelatingseisen voor universiteiten liggen in de lijn nu er grotere verschillen ontstaan tussen middelbare scholen. Op grotere zelfstandigheid van de middelbare school volgt grotere zelfstandigheid van universiteit en hogeschool. Door middel van zo'n toets kunnen hogere onderwijsinstellingen ook het soort studenten selecteren dat bij hun opleiding zou aansluiten. Sommige zouden een hoog niveau voor een beperkt aantal studenten eventueel tegen hogere kosten kunnen nastreven, andere zouden grote aantallen studenten door het les- en collegeprogramma kunnen loodsen.

Opleidingen die veel bieden, kunnen best meer geld vragen. Wie een betere opleiding heeft genoten, verdient later meestal genoeg om de hogere studielening te kunnen afbetalen. Zo werkt het ook in het buitenland.

Er is veel voor te zeggen om de kosten voor vaak slecht bezette opleidingen waaraan maatschappelijk grote behoefte is (bèta, zorg) te verminderen. Hoewel studiekosten een beperkte rol spelen voor iemand die zijn toekomst plant, geeft de overheid met het verlagen van het collegegeld aan dat degene die is afgestudeerd zich weinig zorgen hoeft te maken om een baan. Toch heeft het grote tekort aan bèta-studenten meer te maken met te weinig stimulerend onderwijs in de vooropleidingen dan met de aantrekkingskracht van de bètafaculteiten. Dat studenten die het verkeerde pakket hebben gekozen, zich later kunnen laten bijscholen voor een bètavak is een nuttig lapmiddel. Er zullen ook goede docenten moeten afstuderen die voor verdere aanwas kunnen zorgen.

Er blijven nog veel vragen. Universiteiten mogen onderling geen prijsafspraken maken, maar er zal wel enige onderlinge taakverdeling moeten zijn. Niet alle universiteiten zullen de top moeten nastreven of de zelfde topopleidingen moeten aanbieden. De vraag is hoe het verlaagde collegegeld voor bètastudies zich verhoudt met het verhoogde collegegeld voor `topopleidingen' waarbij vaak wordt gedacht aan business management. Zijn bètastudies dan geen ,,topopleidingen''? Het is vooral zaak de hervormingen geleidelijk in te voeren. Dan kunnen de opleidingen zelf een specialisme kiezen en de gewenste richting uit groeien zonder met een plotselinge bureaucratische chaos te worden geconfronteerd, zoals wel eerder bij nieuwe onderwijsplannen het geval was. Het gaat om het vrij maken van het potentieel dat universiteiten, hogescholen, hun stafleden en hun studenten hebben.