Proces moord Djindjic: vragen blijven

In Belgrado begon vandaag het proces tegen de moordenaars van Zoran Djindjic, premier van Servië, op 12 maart. Of het proces de volle waarheid aan het licht zal brengen, is zeer de vraag.

De zaak tegen de moordenaars van Zoran Djindjic, in een speciaal gerenoveerde en zwaar beveiligde zaal van een militair gerechtshof in Belgrado, wordt volgens de voorzitter van de rechtbank `het proces van de eeuw', al is die eeuw nog jong. Het wordt ook het sluitstuk van de klopjacht van de eeuw: in de weken na de moord op de 50-jarige Servische premier op 12 maart werden bijna elfduizend mensen opgepakt op de verdenking betrokken te zijn geweest bij de aanslag, bij de bende van Zemun die achter de aanslag zou zitten, bij de georganiseerde misdaad in het algemeen en bij het netwerk van corruptie van maffiose zakenlieden, voormalige paramilitairen, kopstukken van de geheime dienst en politici – al dan niet uit het gevolg van oud-president Slobodan Miloševic.

In het proces van de eeuw staan 36 mensen terecht voor de moord op Djindjic. en een lange reeks andere misdrijven, variërend van moord (onder andere op de Servische ex-president Ivan Stambolic in 2000), terrorisme, ontvoering, samenzwering, terrorisme, afpersing, illegaal wapenbezit, drugshandel en corruptie. De moord op Djindjic was volgens de aanklacht het werk van vijftien van de verdachten. Van de 36 beklaagden zijn er vijftien voortvluchtig, zodat slechts 21 mensen vandaag plaatsnamen achter het kogelvrije glas van de rechtszaal.

Volgens de aanklacht was de moord op Djindjic, die werd doodgeschoten toen hij op die 12de maart aankwam bij het gebouw van de regering, het werk van de bende van Zemun, een criminele organisatie die werd gesticht en geleid door commandanten en vroegere commandanten van de Rode Baretten, een elite-eenheid van de Servische geheime dienst die tijdens de oorlogen in ex-Joegoslavië veel van het vuilere werk heeft opgeknapt. De beramers van de moord zouden hebben samengewerkt met corrupte politici uit de partijen van Slobodan Miloševic en Vojislav Šešelj (die net als Miloˇ­sevic in de Scheveningse strafgevangenis zit) en met Miloševic-gezinde leden van de geheime dienst. Doel van de moord zou zijn een Miloševic-gezind bewind aan de macht te brengen. Aanleiding was – volgens de aanklacht – de nauwe samenwerking met het Joegoslavië-tribunaal en de vermeende aanstaande uitlevering van enkele leiders van de bende van Zemun aan `Den Haag'. Onder de mensen die na de moord werden opgepakt bevond zich een reeks prominenten of ex-prominenten van de geheime dienst, de militaire inlichtingendienst en de partijen van Miloševic, zijn vrouw Mira en Šešelj.

Niet veel Serviërs verwachten dat het proces de volle waarheid aan het licht zal brengen. De officiële aanklacht laat namelijk tal van vragen open. De belangrijkste is de vraag wie de opdracht voor de moord op Djindjic gaf. De drie hoofdverdachten ontbreken. Milorad Lukovic, alias Legija, de chef van de Zemun-bende en ex-commandant van de Rode Baretten, is voortvluchtig. De twee andere leiders van de bende, Dušan Spasojevic, alias Šiptar, en Mile Lukovic, alias Kum, werden beiden eind maart gedood toen ze zich – zo heet het althans officieel – verzetten tegen hun arrestatie. Zij zijn de drie enigen die kunnen of konden zeggen of de opdracht voor de moord van een hoger geplaatste kwam. De andere beklaagden zijn allemaal voetsoldaten die bevelen uitvoerden. Maar zelfs de vraag met welke politici de drie hoofdverdachten wanneer en waar contact hadden – en dat die contacten er waren is zeker, met vele politici, Spasojevic had zelfs contact gehad met zijn latere slachtoffer Djindjic – kan niet worden beantwoord, omdat de sporen vakkundig zijn uitgewist door de later gearresteerde plaatsvervangende chef van de Servische geheime dienst: voer voor een lawine van speculaties.

Nog meer vragen worden in de aanklacht niet beantwoord. Volgens de aanklacht was er op 12 maart één schutter, Zvezdan Jovanovic, onderbevelhebber van de Rode Baretten (de huidige co-president van Bosnië zegt in de Bosnische oorlog nog door Jovanovic te zijn gefolterd). Hij zou twee schoten op Djindjic hebben afgevuurd. Hij bekende aanvankelijk, maar trok die bekentenis later in – wat overigens ook veel andere verdachten deden, met het argument te zijn gemarteld. De lijfwacht van Djindjic, die zelf gewond werd op 12 maart, houdt echter vol dat er twee schutters waren die samen drie schoten afvuurden, een bewering die door een onafhankelijk blad met inzage van de dossiers en met behulp van ballistische experts is bevestigd. De lijfwacht kreeg prompt een spreekverbod.

Verder meldt de aanklacht niet waarom op de dag van de moord niemand binnen het regeringsgebouw reageerde op de melding van de lijfwacht dat de premier in aantocht was, waarom de bewakingscamera's die op de ingang van het gebouw gericht waren juist op dat moment uitgeschakeld waren en waarom na een eerdere poging tot moord op Djindjic de veiligheidsmaatregelen niet waren verscherpt.

Door het ontbreken van de hoofdverdachten, de vele procedurele fouten die in het onderzoek zijn gemaakt, de betrokkenheid van hoge politici en de ondoorzichtigheid van het netwerk van politiek, zakenleven en maffia in Servië is de conclusie, dat het proces de volle waarheid aan het licht zal brengen, al bij voorbaat meer dan twijfelachtig. Na de moord op Djindjic beloofden de autoriteiten ,,alle handlangers, aanstichters, financiers, medeplichtigen en mentoren'' van de bende van Zemun uit te schakelen en Servië te bevrijden ,,van alles wat slecht is''. Dat is in elk geval niet gelukt.

    • Peter Michielsen