Islamitisch onderwijs kan hier goed werken

In Frankrijk bestaan misverstanden over het Nederlandse onderwijs. De gunstige effecten ervan worden niet onderkend, meent Jan Bank.

De presidentiële commissie in Frankrijk wier advies president Chirac overneemt in zijn voorstel om de zichtbare religieuze symbolen (hoofddoekjes, keppels, kruisen) uit de openbare scholen en ziekenhuizen te bannen, heeft in de voorbereiding van haar rapport ook de Nederlandse situatie verkend. Zij meldt van leden van de Nederlandse regering te hebben vernomen dat deze de nadelen van het oude minderhedenbeleid nu groter achten dan de voordelen en dat er een nieuwe integratiepolitiek wordt gevoerd, waarin de nieuwkomers worden verplicht om zich de fundamentele waarden van de Nederlandse samenleving eigen te maken.

De Franse commissie heeft ook het betoog van de filosoof Herman Philipse in NRC Handelsblad van 27 september (`Stop de tribalisering van Nederland') gelezen en citeert met belangstelling diens uitspraak over de ,,verregaande tribalisering van de grote steden in Nederland''. De `zuilen'in de Nederlandse samenleving (piliers) worden met name beschreven, maar de commissie heeft daar ook een woord voor – communautarisme – dat in het Franse spraakgebruik geen gunstige klank heeft. Segmentering, van welke aard dan ook, betekent immers apartheid en dat is in strijd met het idee van de ene en ondeelbare Republiek. In dat perspectief is gemeenschapsvorming of het nu is die van een bijzondere mono-etnische wijk of van een bijzondere godsdienstige school een onwenselijk verschijnsel.

De Franse president zelf benadrukt het gevaar van `communautarisme' in zijn recente toespraak tot de natie over de scheiding van godsdienst en staat. Het bergt het gevaar in zich van de verheffing van scheidslijnen en van de voorkeur voor particuliere regels en tradities boven de gemeenschappelijke wet. Het voorbeeld van andere landen met een samenleving opgebouwd uit gemeenschappen toont aan, dat zij vaak de prooi zijn van onaanvaardbare ongelijkheden. Frankrijk, aldus Chirac, zou zijn erfgoed verkwanselen indien het deze weg op zou gaan.

Communautarisme is eigenlijk even onvertaalbaar als het andere Franse sleutelwoord uit de presidentiële toespraak, laïcité. Dat verwijst in zijn oorsprong naar een katholiek spraakgebruik, waarin `laici', het kerkvolk of de leken, worden onderscheiden van de gewijde ambtsdragers, de priesters. In de Franse geschiedenis heeft dat begrip een revolutionaire ontwikkeling doorgemaakt en staat nu voor een fundamentele scheiding van godsdienst en staat. Commissie en president willen de ostentatieve religieuze symbolen en regels bannen uit de openbare instellingen zoals school of ziekenhuis om zo een nieuwe invulling te geven aan het begrip laïcité. Even radicaal als in de eeuw van koning Lodewijk XIV het katholicisme tot in alle hoeken van Frankrijk de heersende godsdienst was (en de protestantse hugenoten werden vermoord of verdreven), even radicaal wordt in de huidige Republiek de openbare ruimte vrijgehouden van godsdienstige symbolen.

De Franse verkenning van Nederland leert ons opnieuw het verschil kennen tussen de Franse staatstraditie en de Nederlandse. En dat heeft onvermijdelijk gevolgen voor het denken over oplossingen in het vraagstuk van de nationale integratie van nieuwkomers. In een vergelijkbaar debat in Nederland zijn er ook (liberale) pleidooien te beluisteren voor een sterkere staatsinvloed op het onderwijs en voor het terugdringen van de vrije, in dit geval islamitische school. Ze zouden in Frankrijk worden verwelkomd, maar in Nederland zijn ze eigenlijk tegen de eigen traditie.

In tegenstelling tot wat – op initiatief van het liberale Kamerlid Hirsi Ali – wordt aangenomen, is de vrijheid van onderwijs een product van het liberalisme. Ze staat al in de grondwet van 1848 en niet eerst in die van 1917. Ze is het resultaat van een intensieve discussie over de vraag of de staat het monopolie moest hebben over het onderwijs. Het negatieve antwoord is gekleurd door de ervaringen met de eerste onderwijswet in Nederland, die in 1806 in de Bataafse Republiek is vervaardigd en dus onder invloed van Franse denkbeelden over de kracht van de staat tot stand was gekomen. Ook koning Willem I hield zich in zijn bonapartistische stijl niet onbetuigd waar het ging om het staatkundig toezicht op het onderwijs.

In 1848 werd de koers verlegd: het onderwijs is vrij. Het werd een wezenlijk onderdeel van het staatsbestel, waarvan de liberaal Thorbecke de prominente schepper is en dat in hoofdlijnen geldig is gebleven tot de dag van vandaag. Het betekende dat de staat niet het monopolie had in het onderwijs en dat er vrije scholen konden ontstaan met een min of meer erkend diploma. De onderwijsvrijheid is wel te onderscheiden van het beginsel van de financiering van het vrije of bijzondere onderwijs door de staat. Dat werd pas veertig jaar later, na wijziging van de grondwet in 1888, in eerste instantie mogelijk gemaakt. In de grondwet van 1917 werd die financiering voor honderd percent verwezenlijkt.

Niet alleen de scholen met de Bijbel of katholieke instellingen hebben overigens van deze volledige financiering geprofiteerd. Het bleek ook de weg te zijn voor verwezenlijking van nieuwe onderwijsvormen waartoe gegoede burgers (vaak liberalen) in schoolverenigingen het initiatief namen. De vrijheid van onderwijs maakte het mogelijk om in 1909 met een nieuwe vorm van middelbaar onderwijs, het lyceum, te experimenteren op basis van zo'n particulier initiatief. De volledige financiering van het bijzonder onderwijs in zijn neutrale vorm bleek de manier om de experimentele Montessorischolen te realiseren.

De filosoof Herman Philipse pleit er voor de schoolstrijd, die in 1917 werd gepacificeerd, tegen het islamitisch onderwijs te doen herleven. De consequentie daarvan is vergroting van de staatsinvloed, die de vrijheid van onderwijs beperkt en de bekostiging van de vrije scholen beëindigt. De Nederlandse geschiedenis geeft hem vooralsnog geen gelijk. Daarin bestaat een voorkeur voor particularistische oplossingen en een afkeer van de ene en ondeelbare staat. In het spiegelbeeld van de Franse waarneming is het Nederlandse onderwijs juist door zijn verscheidenheid en een relatief terughoudende overheid in staat gebleken zich te vernieuwen en te moderniseren. De secularisatie is in Nederland – om één voorbeeld te noemen – niet belemmerd door het bestaan van een breed stelsel van vrije, godsdienstige scholen. Integendeel, die systematische scholing heeft van de gelovigen mondige individuen gemaakt en de hiërarchische verhoudingen in de kerken verstoord. Waarom zou dat proces niet voor herhaling vatbaar zijn in het islamitisch onderwijs, dat in een combinatie van vrijheid en financiering zich ontwikkelt onder overheidstoezicht. Deze staatstraditie zouden de hedendaagse liberalen niet moeten vergeten, juist omdat ze er zo'n belangrijk aandeel in hebben gehad.

Prof.dr. J.Th.M. Bank is hoogleraar Vaderlandse geschiedenis aan de Universiteit Leiden.

    • Jan Bank