Tijdens puberteit leren kinderen pas goed vertellen

Tussen het tiende en achttiende levensjaar vinden in het kinderhoofd dramatische veranderingen plaats in het begrip en de constructie van verhalen. Op basis van onderzoek van opstellen van in totaal 151 Canadese scholieren, verdeeld over de leeftijdsgroepen tussen 10 en 18 jaar hebben de psychologen Anne McKeough en Randy Genereux een aantal fases in deze ontwikkeling vastgesteld (Journal of Personality and Social Psychology, september 2003).

Zowel in het structureren van de algemene verhaallijn als in de omgang met ingebedde constructies als een flashback groeien kinderen enorm in deze levensperiode. Ook is uit de sociaalpsychologische inhoud van de verhalen van de jongeren op te maken dat ze in hun puberteit een fundamentele omslag maken van het begrip van de wereld. Rond de tien jaar verklaren ze handelingen van andere mensen nog uit directe doelen, gevoelens en gedachten van die personen. Als ze achttien zijn, zien ze in dat het gedrag van anderen vaak veel beter te begrijpen is uit stabiele karaktereigenschappen en de persoonlijke geschiedenis en andere omstandigheden.

De ontwikkeling van kleinere kinderen is goed bestudeerd, maar adolescenten zijn in dit verband veel minder onderzocht. Volgens recente psychologische inzichten (onder meer van Jerome Bruner) is het vermogen verhalen te begrijpen en te vertellen cruciaal in de zingeving van het eigen leven en het vermogen om betekenis toe te kennen. De eerste vermogens om een simpel verhaaltje te vertellen verschijnen al voor het derde jaar. Tussen zes en acht jaar krijgen kinderen goed begrip van de basisstructuur van een verhaal (bijvoorbeeld: een begingebeurtenis, een reactie van de hoofdpersoon, een doel, een poging het doel te bereiken, een uitkomst, het einde). Rond het tiende jaar zijn kinderen in staat dit schema goed toe te passen en uit te breiden. McKeough en Genereux hebben geprobeerd het vervolg van deze ontwikkeling nader in kaart te brengen, door 151 jongeren (via hun leraar) te vragen een opstel met een flashback te schrijven.

Tienjarigen blijken inderdaad in staat te zijn om een enigszins complex verhaal te vertalen met (heel korte) relevante flashbacks. Maar ze kunnen niet goed twee verhalen tegelijk vertellen, zoals bijvoorbeeld in een uitgewerkte flashback, waarna weer de draad wordt opgenomen van het `gewone' verhaal. Bij twaalfjarigen duiken flashbacks op die inzicht bieden in de persoonlijkheid van de hoofdpersoon. Zoals McKeough en Genereux het formuleren: ``Ze doen een serieuze gooi naar een psychologische interpretatie''. Bij veertienjarigen is het pyschologisch inzicht stabieler en sterker. Ze beschrijven bijvoorbeeld expliciet twee verschillende centrale conflicten in hun verhaal: een innerlijk conflict van de hoofdpersoon en een conflict van die persoon met anderen. Bij zeventienjarigen worden deze twee verhaallijnen op coherente wijze met elkaar verweven.

    • Hendrik Spiering