Schietende boeren, missende jagers en het vlees dat wij eten. Of juist niet eten.

De knal in de verte, wandelaar in bos en veld, hoeft niet van een crimineel te zijn. Het kan ook dat het geen jager is die schiet, of de politie. Maar wie of wat dan wel? Kom er maar eens op. Het is een moderne veehouder die edelherten is gaan houden, omdat aan koeien alleen niet meer voldoende verdiend kan worden. Edelherten zijn geen tamme landbouwhuisdieren. Het blijven min of meer onaangepaste wilde beesten. Een koe kan wel eens het gedrag vertonen als van een hond die blij is zijn eigenaar te zien. Een koe kan enthousiast op haar boer afkomen als die de wei inloopt. Edelherten niet. Die blijven afkerig van de baas. En de bokken zijn gevaarlijk, ze kunnen de veehouder dooddrukken als hij zich binnen het zware rasterhek begeeft. Ze komen op voor hun kuddetje. Edelherten moeten achter stevige omheining gehouden worden, een prikkeldraadje houdt ze niet tegen, dan gaan ze op de loop, terug naar Hongarije.

De boer schiet door het hekwerk heen het beest dood dat hij wil laten slachten. Eerst belt hij een ambtenaar op van de vleeskeuring. Die komt en pas als hij er is valt het schot. Onder controle. Er zijn wel hertenhouders die de beesten levend in een aanhangwagen weten te krijgen om ze pas in het slachthuis te laten doden, maar herten staan doodsangsten uit tijdens transport. Het is later aan het vlees te proeven, zeggen de kenners in de sector. De smaak van stress.

Het schieten op vee gebeurt vaker. Wilde zwijnen worden in verschillende Europese landen achter zwaar hekwerk gehouden. Het afgerasterde terrein is meestal groot genoeg om ze er vrolijk op los te laten leven en de gevangenschap belemmert ze niet in de voortplanting. Ze moeten wel bijgevoerd worden, want ze vreten alles kaal. Als er een bestelling komt van een eethuis of een poelier, pakt de zwijnenhouder zijn geweer en gaat er eentje doodschieten.

Tot een paar jaar geleden was bij Biddinghuizen in Flevoland een varkenshouder gevestigd die zijn beesten de grootst mogelijke vrijheid gaf. Ze mochten gaan en staan waar ze wilden, behalve de weg op langs zijn erf. Hier was een schrikdraadje genoeg om ze tegen te houden. Het ultieme varkensparadijs, maar het mocht niet langer. Niet alle varkens waren even hebbelijk, ze konden lang niet allemaal van een oormerk worden voorzien. En de paar beren op het erf waren helemaal niet te benaderen. Die werden gevaarlijk als de boer in hun buurt kwam. Toch moest er af en toe een tussenuit, de boer uit Biddinghuizen verkocht droge worst op de Boerenmarkt in Amsterdam. Worst, gemaakt van zijn eigen varkens. Kon hij geen varken te pakken krijgen om naar de slager te brengen, dan liet hij iemand komen met een wapenvergunning en klonk in de Flevopolder een knal.

Niet alle veehouders met moeilijke dieren – er zijn rond de dertig edelhertenhouders – mogen een vuurwapen in huis hebben. Ze moeten, als ze hun dieren de verschrikkelijke tocht in de veewagen naar het slachthuis willen besparen, iemand laten komen die schieten mag. Een jager?

Het is mogelijk, er zijn tamelijk gewone jagers waar men het aan kan zien en die het schieten op zich wellicht niet zaligmakend vinden, maar niet weten hoe het anders moet. Het is dit type jager dat wel eens in moet grijpen als konijnen de duinen te ernstig hebben uitgehold. Maar er zijn andere jagers. Die hebben er plezier in. En ze houden er eigenaardige opvattingen op na. Het schieten op een ongehoorzaam varken is ze waarschijnlijk te min. En als ze een haas stil zien zitten in de wei schieten ze niet want dat geldt als onsportief. De haas moet rennen. Op de vlucht. En in zijn vlucht geschoten. Net als eenden. Ze moeten opvliegen, pas dan mag het.

Ik woon in een waterige polder en volg wat de jagers hier doen. Het sterft hier van de ganzen die niet meer trekken willen. Ze zijn hier gaan wonen. Staatsbosbeheer en de boeren die van de staat het grasland pachten, willen de ganzenstand decimeren. Omdat, zeggen ze, het gras niet voor de ganzen is maar voor het vee. Al jaren volg ik de taferelen. Hobbyjagers in hobbyjagerskleding besluipen op verzoek van de regering de ganzen. Maar ze schieten niet op de grazende beesten, ze wachten tot ze opvliegen. Dan tel ik de knallen en de ganzen die loodrecht naar beneden komen. Hooguit twee ganzen op tien patronen. Ze kunnen niet goed richten of hebben kromme geweren. Ik weet het niet, maar het is ze nog nimmer gelukt om het stoïcijnse ganzenvolk hier te verdrijven. Bij de jacht op hazen gaat het al net zo. Ze verspelen zoveel hagel, dat per schot toch gauw een euro kost en meer, en gaan daarna met maar zo weinig hazen in de achterbak naar huis dat ik veronderstellen moet dat het schieten ze plezier doet, veel meer dan de buit. Het komt in de beste families voor, deze liefhebberij. Ik begrijp daar helemaal niets van. Zou ik het willen, dan was het voor de buit en ik heb allang ontdekt dat dan een geweer niet nodig is. Ik zet de achterdeur open en strooi wat graan. De eenden komen vanzelf binnen. Ik gooi de deur dicht en ik heb ze. Was ik alleen thuis, dan kon ik ze slachten. Maar huisgenoten laten ze schielijk weer gaan. Dierenliefde. Daar begrijp ik al net zo weinig van als van plezierjagers. Dat je wel een plofkip eet, maar geen aan-komen-waaien-eend omdat die zo lief is.

Wouter Klootwijk is journalist, gespecialiseerd in consumentenzaken en voedsel