Nooit meer m'n rode jurk aan

Over kloosters hoor je voornamelijk dat ze leeglopen. Toch zijn er ordes die bloeien en jonge mensen trekken. Suzanne van der Schot is dertig jaar en gaat naar Parijs om in te treden bij de Monastieke Gemeenschappen van Jeruzalem.

Ik eet iedere dag patat, nu ja, bijna iedere dag, nu het nog kan. En afgelopen zondag ben ik de hele dag uit rijden geweest in een cabriolet met vriendinnen en we hebben lekker wijn gedronken... Dat zal allemaal niet zo snel meer gebeuren.''

Nooit meer als het goed gaat.

,,Nee. Maar daar sta ik niet zo bij stil. Ach, ik zal het allemaal niet zo erg missen, verjaarsfeestjes en borrels en dergelijke al helemáál niet. Heerlijk om eindelijk een goed excuus te hebben. Ja, zulke voordelen zitten ook aan het klooster.''

Een zondagochtend in het najaar van 1998. Voor het altaar in de Nicolaaskerk in Amsterdam staat een paar schoenen. Ze zijn van Suzanne van der Schot. Omdat ze, op deze schoenen, naar India gaat waar ze, via contacten in de kerk, vrijwilligerswerk gaat doen voor kinderen.

De meeste mensen in de kerk kennen Suzanne van der Schot wel. Ze is nog niet zo heel lang geleden gedoopt, en bij zo'n gelegenheid wordt iemands naam genoemd. Ze is bovendien iemand die je ziet, zoals sommige mensen nu eenmaal meer in het oog springen dan anderen. Ze is nog jong, 25, ze heeft een leuk open gezicht met mooie, dichtbewimperde blauwe ogen en een vrolijke lach. Ze is neerlandica en ze wil blijkbaar iets met haar leven. Naar India dus, om kinderen te helpen.

Een jaar later is ze terug. Aan het eind van een mis wordt ze uitgenodigd om over haar ervaringen te vertellen. Dat doet ze, gemakkelijk en enthousiasmerend. Het was geweldig bijzonder in India, zoveel is wel zeker.

Nu, vier jaar na haar terugkeer, vertelt ze: ,,Toen ik terugkwam uit India dacht ik: `Wat nu?' Ik wilde gaan werken in vluchtelingenkampen, maar dat kon niet meteen. Dus ik ging voor de klas staan, maar dat had ik nog nooit gedaan. Het was een drama. Ik had geen idee hoe ik al die springende kikkers in de kruiwagen moest houden. Ik heb mijn lesbevoegdheid gehaald en ben in Amsterdam gaan werken op een 100 procent zwarte school in Oost. Toen ging het beter. Die kinderen vreten je zo ongeveer op. Zó leuk is dat.''

We zitten te praten in haar al bijna geheel onttakelde kamer op het Begijnhof in Amsterdam. Een paar maanden geleden is het nieuws in de kerk bekendgemaakt: Suzanne en pastor Bernard Zweers van de Nicolaaskerk gaan weg, naar Frankrijk. Hij treedt in bij de Monastieke Gemeenschappen van Jeruzalem, om kennis te maken met hun werk en om te kijken of er een mogelijkheid bestaat om in Amsterdam, waar een piepklein groepje `Amsterdamse Stadsmonniken' actief is, ook zoiets op te richten. Suzanne zal over twee weken naar Parijs gaan om in te treden en na twee jaar noviciaat hopelijk – `Deo volente' zegt de pastor natuurlijk – terug te keren in Amsterdam met een aantal broeders en zusters van daar, en hier in een religieuze gemeenschap van stadsmonniken te leven.

Non. Ze wordt non.

Zelf gebruikt ze het woord `non' niet één keer. Het is een ouderwets woord. Vrouwelijke monniken heten `monialen', maar Suzanne zegt gewoon `monnik', m/v moet je er zelf maar bij denken.

In Parijs zal ze een heel ander leven gaan leiden dan ze tot nu toe gewend was. De Monastieke Gemeenschappen van Jeruzalem leven midden in de stad. Ze zijn geen Leger des Heils-achtige beweging, maar een echte kloosterorde. Een contemplatieve orde bovendien, dat wil zeggen dat het gebed het belangrijkste is in hun bestaan. Ze brengen vier uur per dag door in de kerk. Ze werken ook, halve dagen, om in hun eigen, bescheiden onderhoud te voorzien. Ze dragen een habijt. En ze geloven dat ze, door te bidden, door een plek van inkeer en aandacht te verzorgen, de stad iets bieden. Alle contemplatieve orden geloven dat gebed niet alleen iets is tussen de monnik en God, maar dat het ook zin heeft voor de wereld. Door hun gebed helpen ze mee de wereld te dragen.

Suzanne: ,,De stadsmonniken zorgen ervoor dat er een plek is waar stilte heerst in de drukte van de stad, en waar mensen welkom zijn. Er zijn mensen nodig die de aanwezigheid van God levend willen houden in de wereld en dat zijn monniken. De trappist Thomas Merton heeft eens gezegd: `Monniken zijn stille, hoge bomen die de lucht zuiveren'.''

Dagboek van Suzanne, 7 mei 2001

,,Gisteren roepingenzondag. Een indringende preek van [pastor] Bernard [Zweers]. Al honderd keer ben ik van plan om hem te bellen en te vragen of ik na de zomer stadsmonnikje mag worden. Durf niet. Nog niet.''

Dagboek, de volgende dag, 8 mei

,,Bernard gebeld. Een afspraak gemaakt voor vrijdag.''

Dagboek, vrijdag 11 mei.

,,Oh. Oh, wat heb ik nou gedaan...Ik heb gezegd dat ik er helemaal bij wil horen. En ik voel me geweldig. Zo blij, zo blij, niet te geloven. Maar ook: kan ik dit wel waarmaken? Ben ik wel voldoende religieus? Nog nooit heb ik me aan iemand hoeven aanpassen, met iemand rekening hoeven houden bij mijn beslissingen. Gaat dat dan nu wel lukken?''

Bij de Amsterdamse stadsmonniken zijn betekende nog lang niet een echt religieus leven leiden. Suzanne: ,,Twee keer per dag een dienst, nog een paar dingen met elkaar doen, dat was het. Dat is niet moeilijker om te doen dan iemand die elke dag gaat zwemmen bijvoorbeeld. Het was een klein groepje dat ook nog eens steeds kleiner werd en dat maakte het wel zwaar. Toen zijn we in contact gekomen met de Monastieke Gemeenschappen van Jeruzalem. We gingen kennismaken, eerst in Brussel en later in Parijs. Het ging heel geleidelijk, er was niet ineens een blikseminslag.''

Dagboek, 1 juli 2001

,,Hoe word je een monnik? Is er iets dat erop wijst dat er een monnik in mij verborgen zit? Het lijkt me een kunst en ik voel me net een olifant die moet leren koorddansen. Of liever gezegd: wíl leren koorddansen. Die razende ongeduldigheid werkt ook niet echt mee.

,,Ik heb een vaag vermoeden dat in het monnik-zijn de totale vervulling besloten ligt, de Liefde. Maar die moet bereikt worden via zaken als nederigheid, eenvoud, gehoorzaamheid, soberheid. Stuk voor stuk eigenschappen waar ik bepaald niet in uitblink. Geloof ik eigenlijk wel in God?''

Het is moeilijk om met iemand te praten die iets zo onbekends gaat doen. Zo iemand zegt ook steeds dingen die je net niet helemaal verstaat. Bijvoorbeeld: ,,Ik wil dicht bij God zijn.'' Wat is dat dan precies? Wat betekent `God'? Wat is het dat maakt dat een leuke, slimme, enthousiaste jonge vrouw besluit om in het klooster te gaan? In 2003?

Suzanne: ,,God is iemand of iets die ruimte schept, misschien ís God wel de ruimte waarin wij de mogelijkheid krijgen om te leven. God heeft die ruimte gemaakt. Dus kun je zeggen: zonder God is er geen leven.''

Maar dat is woordspel.

,,Wat moet je er dan voor naam aan geven? Ik wil het God noemen. Er wordt zoveel vaag en wollig gedaan, laten we ons nu maar aan de bewoordingen van de katholieke kerk houden. Zo'n instituut heeft iets heiligs en stijgt uit boven de mensen die het onderhouden en die natuurlijk fouten maken. Het is toch mooi dat mensen in São Paulo of Manila dezelfde lezingen horen die ik vandaag in de kerk hoor.

,,De kerk is een vorm. Je kunt er zo instappen, maar de inhoud moet je er zelf aan geven. Ik vind het prettig dat er vaste woorden zijn voor bijvoorbeeld het credo of het Onze Vader, anders ga je maar zoeken naar hoe je het moet zeggen. Je probeert je die woorden eigen te maken. De bewoordingen zijn geen doel in zichzelf, ze zijn een middel om ergens te komen.''

Bij God.

,,Ja. Dat is een verlangen.''

Waarnaar verlang je dan precies?

,,Dat kan ik niet goed zeggen. Ik vind dat monastieke leven zo mooi, en ik bewonder de mensen zo die het leiden. Soms, tijdens het gebed, voel ik me helemaal op mijn plaats. Dan heb ik een enorm gevoel van verbondenheid met God en met de mensen om me heen, met de wereld. Ik hoop meer van zulke momenten te hebben als ik helemaal voor God ga leven. Vaak denk ik: ik kan het niet, maar ik wíl het. Ik kan er niets van. Ik ben totaal ongeschikt voor dit soort leven. Ik vind rumoer en werken op school zo leuk. Ik kan het niet, dus dan moet God het maar voor me doen.''

Wat betekent dat?

,,Tja. In het begin zal het, denk ik, vooral een kwestie van uithouden zijn. En dan zal er op den duur iets moeten groeien. Ik noem het al `God' als ik het uithoud. Als het lukt, is het niet mijn verdienste.''

Is alles waarvan je het gevoel hebt dat je ermee boven jezelf uitstijgt `God'?

,,We weten toch niet wie of wat God is. Ik geloof niet dat er iemand is die aan de touwtjes zit te trekken – wat je je ook voorstelt, je zit er toch altijd naast. Het geloof is in dat opzicht heel ingewikkeld. Maar het is ook heel simpel. Als je de mensen om je heen maar probeert lief te hebben, aandachtig probeert te leven, dan is het goed.''

Dat kan ook zonder God.

,,Ja. Maar voor mij geldt wel dat mij, wat er ook zou gebeuren, uiteindelijk niets kan overkomen, want God is er altijd. Al denk ik dat even niet als ik me echt ellendig voel, toch is dat weten er. Daarom denk ik dat ik gelukkig word van dit leven. Dat ook maar gewoon een leven is. Er is niets verheveners aan dan wanneer iemand kiest om een bedrijf op te zetten of een gezin te stichten.''

Maar zulke dingen wil jij niet.

,,Ik heb altijd een angstbeeld gehad: straks ben ik ineens veertig en word ik op een ochtend wakker met een man naast me en ik hoor de kinderen en dan zal ik denken: `wat is me overkomen, ik heb helemaal niet opgelet'. Ik heb altijd iets nuttigs willen doen, iets dat uitmaakt, dat zin heeft. Daarom wilde ik in vluchtelingenkampen gaan werken, dan is het natuurlijk heel duidelijk dat je iets nuttigs doet. In een klooster veel minder, voor mij ook. Toch is er nu iets dat me heel sterk die kant op trekt.''

Dagboek, 29 juni 2002, alleen in Brussel [waar de Gemeenschappen van Jeruzalem ook een vestiging hebben]

,,Wat zijn hier allemaal vrolijke, levendige meiden! Ik snap er helemaal niets van! Want dit is toch echt een heel radicaal kloosterleven. Wie weet maar goed ook dat we nog niet zo ver zijn. Hoewel dat habijt van dichtbij bekeken helemaal zo lelijk nog niet is...

,,En dit moet je ook maar eens onder ogen zien: een monastiek leven met een overvolle agenda, afspraken en etentjes is écht onmogelijk. In de vier dagen dat ik hier ben, heb ik twee keer de telefoon horen gaan; er wonen hier in huis zeven mensen. Weg met die tv en een kast vol leuke bloesjes. Leeg moet het zijn. Je huis, je agenda, je hoofd. Daar begint het monnik-zijn.''

Wat vind je het zwaarste om afstand van te doen?

,,Mijn familie en naaste vrienden. Als mijn moeder jarig is, kan ik niet op haar verjaardag komen. Als mijn zusje trouwt, mijn vriendin bevalt van haar eerste kind, dan zal ik er niet zijn. Ik wíl ook niet steeds weg moeten, maar het kan ook niet. Ik heb het gevoel dat de mensen daar in Parijs heel redelijk zijn, maar ik zal wel alles moeten vragen. Zit je in Parijs, zou je lekker naar het Louvre kunnen, kopje koffie drinken op een terras – maar je hebt geen geld.''

Vind jij gehoorzaamheid een belangrijke deugd?

,,Gehoorzaamheid op zichzelf vind ik niet belangrijk, maar wel dat je zegt: ik ga niet in op al mijn wensen. Dat kan nu wel, en dat is erg leuk, maar het leidt ook af van de dingen waar het echt om gaat. Als ik kleren ga kopen, lees ik geen boek. Je levert je geld en iets van je vrijheid in, maar je krijgt er veel tijd voor terug. Die soberheid en die gehoorzaamheid zijn ervoor om te zorgen dat je doet wat je moet doen. Anders doe ik het niet.''

Het lijkt nogal een paardenmiddel.

,,Ja, dat is het ook. Maar je doet ook een bewering. Je zegt: `Zo kan het ook.' `Een mens kan best met minder.' `Je kunt in God geloven zonder stokoud of depressief te zijn.' Ik wil met mijn leven daar, en straks in Amsterdam weer, een tegenbewering geven tegen het materialisme en de overvloed. Zo is het met dat habijt ook. Ik sta er niet om te springen, maar ik wil het wel dragen als een getuigenis: `Hier sta ik voor en ik lijd er niet onder'.''

In je dagboek twijfel je er nogal eens aan of je al dat bidden wel zal kunnen volhouden.

,,Toen ik in Brussel op bezoek was, zei een van die zusters dat de viering van de eucharistie het belangrijkste moment van de dag was. Toen dacht ik: `Ohh! Hoe ga ik dat ooit zo voelen?' En die stilte, die vloog me eerst aan, zat ik daar om zes uur 's morgens in de kerk en ik dacht: ik heb geen zin, en na tien minuten dacht ik: wat dóé ik hier en na vijftien minuten: ik wil wég. Terwijl je ook denkt: het is allemaal zo mooi, ze hebben echt een prachtige liturgie, en ik zit hier met de spiritualiteit van een zak aardappelen. Iedereen zit hier God te ervaren behalve ik. Die strijd is er wel vaak.''

Dagboek, 11 februari 2003

,,Het woord Parijs hoeft maar te vallen of ik ben weer helemaal van m'n apropos. Weer de zekere overtuiging dat ik werkelijk niet geschikt ben, nooit zal zijn ook, voor een monastiek leven. Parijs is aantrekkelijk, zolang het maar ver weg is.''

Dagboek 14 februari, Parijs

,,Paris, Paris! Ik voel me hier helemaal thuis! Ik stotter nog net zo erg in het Frans, maar dat enorme minderwaardigheidscomplex is helemaal verdwenen. Ik kan dit wel, ik hoor hier wel. Wat een heerlijke stad ook! In Brussel regent het steeds maar en hier straalt de zon. God, je bent zo goed voor me.''

Je hoort wel eens dat mensen zich in een klooster ook erg eenzaam voelen, te veel afgesneden van menselijke affectie.

,,Ik heb heel wat mensen om me heen die denken: als ze nou maar eens een leuke jongen tegenkomt, dan gaat het wel over. Ik heb natuurlijk wel vriendjes gehad, maar nooit de droom om te trouwen of moeder te worden. Seks mis ik, denk ik, niet zo. En de menselijke warmte – ik heb het gevoel dat dit een heel frisse, jonge club is, niet meer zo benepen als het vroeger misschien wel was. Er zitten daar in Parijs dertig zusters, er zullen er vast wel een paar bij zijn met wie ik het goed kan vinden. Ik ben niet bang in dat opzicht iets tekort te komen.''

Dagboek, 4 mei 2003

,,Ik zal mezelf en God een kans geven. Het lijkt me zo geweldig als ik hier wel in blijk te passen. Het lijkt me zo'n mooi leven. Bang dat ik het niet kan, maar nog groter is de angst dat het het wel blijkt te zijn. Dan is dit dus mijn toekomst, zit ik in de komende, zeg, veertig jaar iedere dag urenlang op een krukje. Nooit meer m'n rode jurk aan, nooit meer een biertje gaan drinken, nooit meer lekker knoerdhard de muziek aan. Er komt een tijd aan vol onbekende dingen. Ik kan in ieder geval niet zeggen dat mijn leven saai is.''

Wilt u reageren stuur uw reactie naar zbrieven@nrc.nl of schrijf naar het Zaterdags Bijvoegsel, postbus 8987, 3009 TH Rotterdam. Inlichtingen: Amsterdamse stadsmonniken op www.stadsmonniken.nl;

Gemeenschappen van Jeruzalem op http://jerusalem.cef.fr

    • Marjoleine de Vos