Nachtwacht beter te zien op nieuwe plek

Bij binnenkomst ziet de bezoeker een kanon gericht op een groot model zeilschip. En ook de Schuttersmaaltijd ter viering van de Vrede van Munster, het grote groepsportret (232 x 547 cm) van feestvierende schutters dat Bartholomeus van der Helst schilderde in het gedenkwaardige jaar 1648. De entree tot De Meesterwerken, in de hal van Philipsvleugel, laat er geen misverstand over bestaan: deze tentoonstelling gaat over de glorietijd van de Nederlandse geschiedenis. Want ook al strekt het verzamelgebied van het Rijksmuseum zich uit van 1400 tot 1900, en in de nabije toekomst zelfs tot en met de twintigste eeuw, de Gouden Eeuw blijft de core business van het Rijks, aldus directeur Ronald de Leeuw.

Tijdens de grootscheepse renovatie van het hoofdgebouw zijn de komende vier jaar 400 zeventiende-eeuwse meesterwerken uit de collectie te zien in de Philipsvleugel. Alle hoogtepunten, van de Nachtwacht tot het zilverwerk van Johannes Lutma, zijn bijeengebracht op een oppervlakte van 1500 vierkante meter. Zo hoopt het Rijksmuseum tijdens de verbouwing toch nog zo'n 500 à 600.000, vooral buitenlandse, bezoekers per jaar te trekken, voor de gebruikelijke entreeprijs van negen euro.

Een gelegenheidstentoonstelling dus, met een tamelijk conventionele keuze van werken. Ook de inrichting is conventioneel. Op de eerste verdieping zijn vooral schilderijen te zien die zijn ingedeeld naar thema's als het landschap, het genrestuk, het vroege en het late werk van Rembrandt. Alleen op de begane grond heeft de expositie een ander karakter. Hier is ruimte geboden aan de Nederlandse geschiedenis op een manier die vooruitloopt op het Rijksmuseum van de toekomst. Uiteenlopende werken (schilderijen, toegepaste kunst) worden hier op geïntegreerde wijze getoond, opdat ze samen een historisch verhaal vertellen.

Zo is de boekenkist te zien waarin Hugo de Groot in 1621 uit slot Loevestein ontsnapte, en het `stokske' waarop Johan van Oldenbarneveldt steunde toen hij het schavot betrad. Of ze het écht zijn is overigens niet zeker.

Adriaen Pietersz van de Venne schilderde een in iconografisch opzicht wonderlijk werk, De zielenvisserij (1614), dat het conflict verbeeldt tussen Hollandse Protestanten en Zuid-Nederlandse en Spaanse Katholieken. Op een rivier dobberen bootjes vol zwartgeklede protestanten en volgevreten monniken (aparte bootjes uiteraard) die in het water naar naakte zielen vissen. En er is een tamelijk gruwelijk schilderij, toegeschreven aan Jan de Baen, met de toegetakelde lijken van de gebroeders De Witt bungelend aan een boom. Dit alles is heel didactisch en verduidelijkt zeker het een en ander over onze geschiedenis. Het is ook een goede aanleiding om artistiek minder belangwekkende kunstwerken uit het depot te halen. Maar het is natuurlijk de vraag of het zinnig is om belangrijke kunstwerken in zo'n verhalende context te tonen; zij vragen een ander soort aandacht. Deze discussie zal de komende jaren ongetwijfeld gevoerd worden.

Wat de schilderkunst betreft: de keuze mag voorspelbaar zijn, het is een plezier om deze schilderijen bij elkaar te zien. Het stilleven met breidel van Torrentius hangt op de goede hoogte: dit cirkelvormige schilderij, uitzonderlijk zowel wat afbeelding als lichtwerking en proporties betreft, moet van onder af bekeken worden. Het kleine stilleven van Willem Kalf, met die vette knobbelige citroenen en al die ongelofelijke reflecties in goud en zilver en glas, en het grote, wilde zeegezicht van Ludolf Bakhuysen verdragen elkaar uitstekend.

De inrichting is ruim, en de kleuren van de wanden zijn ingehouden. Minder ingehouden zijn de grote bloemensjablonen, geïnspireerd op zeventiende-eeuws damast. Ze maken van het museum een bonbondoos. En op één plek gaat het helemaal mis: de wand waar de drie belangrijkste werken uit de collectie hangen, Het Straatje in Delft, het Melkmeisje en de Brieflezende Vrouw van Vermeer. Deze intieme werken zijn al te klein voor de grote wand, maar met die rare bloemen erachter is alle gevoel voor verhouding verdwenen.

De Nachtwacht is daarentegen beter te zien dan eerst. Hij hangt in een kleine ruimte en is in fysieke zin heel dichtbij. De belichting is goed. Ertegenover hangt als pendant het indrukwekkende groepsportret De Magere Compagnie van Frans Hals (voltooid door Pieter Codde). De compositie is minder gewaagd dan de Nachtwacht – maar wat een lef in de penseelvoering, wat een meesterlijk kleurgebruik, wat een meeslepend ritme van schoenen en kragen! De minstconventionele zaal van de tentoonstelling is tegelijk de beste.

De meesterwerken. Presentatie in de Philipsvleugel van het Rijksmuseum, Amsterdam. Tot zomer 2008. Dag. 9-18u. Gids met 120 afbeeldingen in kleur euro 5,-.

    • Janneke Wesseling