Machinemensen, beestmensen en gewone mensen

Randolph J. Rummel heeft het precies uitgerekend. Honderdzeventig miljoen mensen werden er in de vorige eeuw vermoord in opdracht van een staat.

Vijf keer zoveel als het aantal soldaten dat tijdens gevechten sneuvelde. Wie pleegden al die moorden, beulen of bureaucraten?

De staat is de grootste mensendoder in deze wereld. Niet de staat in oorlog tegen gewapende vijanden moordt het meest. De meeste slachtoffers van staatsgeweld zijn ongewapende, weerloze mensen. Voor de massale moord van staatswege is de term `democide' in omloop gekomen, letterlijk `volkerenmoord'.

Onder die noemer van democide valt allereerst de genocide, de massale moord van staatswege op mensen vanwege hun nationale, etnische, raciale of religieuze achtergrond. Onder de term democide valt ook wat wel `politicide' wordt genoemd: de massale vernietiging door de staat van weerloze mensen vanwege hun politieke overtuiging. Ten derde omvat de term democide ook alle grootschalige vernietiging door staatsgeweld met geen ander doel dan de bevolking in het algemeen te terroriseren om zo alle tegenstand te verlammen. `Democide' omvat dus alle dodelijk staatsgeweld op grote schaal, direct of via handlangers, tegen ongewapende burgers.

Zover de geschiedenis terugreikt hebben mensen grootscheepse slachtingen onder andere mensen aangericht. Van de meeste is niets of nauwelijks iets bekend. Vrijwel elke oorlog, elke veldslag liep uit op brandschatting, plundering, verkrachting van de vrouwen der overwonnenen, uitroeiing van de vijanden, of ze zich nu verweren konden of niet. Daar is niets bijzonder moderns of eigentijds aan.

Er bestaat een dodenboek van deze tijd. Het bevat geen spreuken, bezweringen of gebeden. Toch is Statistics of Democide van Randolph J. Rummel (1997) het macaberste boek dat ooit verschenen is. Het bestaat hoofdzakelijk uit tabellen. In die cijferlijsten staan de aantallen opgesomd van mensen die in de afgelopen eeuw, ongewapend, door staten zijn vermoord.

Er zijn in de afgelopen eeuw vier regiems geweest die elk meer dan tien miljoen mensen hebben vermoord. Tussen 1917 en 1987 zijn in de Sovjet-Unie tweeënzestig miljoen mensen omgebracht door executie, mishandeling, foltering, uitputting of uithongering. Dat aantal is door geen enkel regiem geëvenaard. Communistisch China komt daar nog het dichtste bij met ruim vijfendertig miljoen vermoorde burgers tussen 1949 en 1987. Naar het totaal dodental onder weerloze mensen komt het nazi-regiem op de derde plaats met eenentwintig miljoen moorden. Als vierde verschijnt in de tabel een regiem dat nagenoeg vergeten is, Nationalistisch China waar de Kwo-min Tang onder Chang Kai-shek tien miljoen ongewapende mensen heeft gedood tussen 1928 en 1949.

De Chinese democides troffen vrijwel uitsluitend eigen burgers, en dat gold ook voor 90 procent van de sovjetmoorden. De nazi's brachten driekwart miljoen Duitsers om (vrijwel allemaal joden), maar alle overige slachtoffers, ruim twintig miljoen, waren inwoners van andere landen, onder Duitse bezetting. Om een scherper beeld te krijgen van de moorddadigheid van een regiem kan het aantal slachtoffers per jaar als percentage van de totale bevolking in het machtsgebied worden berekend. Ook uit die berekening komt het sovjetregiem als veruit het moorddadigste.

Behalve deze vier regiems die elk tientallen miljoenen ongewapende mensen hebben gedood, telt Rummel nog elf andere die ieder meer dan een miljoen mensen hebben vermoord. De verschrikkingen die ze hebben aangericht zijn grotendeels vergeten. De lijst zegt dus ook iets over onze selectieve herinnering.

Japan, in de jaren 1936 tot 1945: bijna zes miljoen ongewapende slachtoffers in China en ander bezet gebied in Oost- en Zuidoost-Azië.

Communistische guerrilla's in China tijdens de kwarteeuw vóór de machtsovername: drieëneenhalf miljoen `klassenvijanden'.

Cambodja in de jaren tussen 1975 en 1979: twee miljoen mensen – `klassenvijanden', etnische minderheden en inheemse Vietnamezen – op een bevolking van ruim zeven miljoen mensen. In verhouding tot de totale bevolking en de korte duur van hun bewind zijn de Rode Khmers veruit het moorddadigste regiem van de eeuw geweest.

Turkije in de periode van 1909 tot 1918: bijna twee miljoen mensen, merendeels Armenen.

Vietnam van 1945 tot 1987: ruim anderhalf miljoen mensen, `klassenvijanden' en inwoners van buurlanden.

Polen in de jaren na 1945: ruim anderhalf miljoen mensen, meest van Duitse afkomst.

Pakistan, hoofdzakelijk in 1971: anderhalf miljoen, bijna allen inwoners van het huidige Bangladesh (waaronder de Hindoe-minderheid in dat gebied).

Joegoslavië onder Tito tussen 1944 en 1965: ruim een miljoen mensen. (In de vier voorafgaande oorlogsjaren waren door de strijdende partijen al twee miljoen mensen vermoord en vielen een half miljoen militaire slachtoffers).

Noord-Korea in de veertig jaar na 1948: anderhalf miljoen burgerslachtoffers, meest vijanden van het regiem.

Mexico in de revolutionaire jaren van 1900 en 1920: bijna anderhalf miljoen burgers.

Rusland tussen 1900 en 1917, dus vóór de revolutie: een miljoen mensen, vooral tijdens de oorlogsjaren, ten dele Centraal-Aziatische nomaden en Koerden die systematisch werden uitgeroeid, deels Duitse krijgsgevangenen.

Mogelijk is ook hieraan de Congo Vrijstaat toe te voegen, waar in de periode tussen 1885 en 1908 vele miljoenen doden zijn gevallen, deels door ziekten en hongersnood, maar ook door executie, foltering en uitputting bij de gedwongen rubberoogst. Rummel vermeldt echter een veel lagere schatting van het dodental door democide.

170 miljoen slachtoffers

Rummel geeft vervolgens een opsomming van zevenenveertig regiems die meer dan honderdduizend mensen vermoord hebben, in totaal bijna elf miljoen mensen. En hij noemt honderdzesenvijftig regiems die geen van alle meer dan honderdduizend slachtoffers hebben gemaakt, maar tezamen toch bijna tweeëneenhalf miljoen.

Ten slotte geeft Rummel het totaal van alle moorden door staten begaan op ongewapende burgers in de twintigste eeuw: honderdzeventig miljoen mensen.

Dat is een volkomen onvoorstelbaar aantal. Daar laat zich niets bij indenken, en er is niets anders bij te ervaren dan schrik. Het cijfer kan vergeleken worden met het dodental door oorlogshandelingen tegen gewapende tegenstanders: vierendertig miljoen mensen. Er zijn dus in de afgelopen eeuw vijf maal zoveel weerloze mensen van staatswege vermoord als er door gericht militair ingrijpen gesneuveld zijn.

De meest moorddadige regiems, met meer dan een miljoen doden, die Rummel de `megamoordenaars' noemt, zijn zonder uitzondering dictaturen; veruit de ergste zijn totalitaire staten van communistische, nationaal-socialistische of militair-fascistische signatuur.

`Power kills and absolute power kills absolutely'. Rummel hamert zijn dictum erin, teruggrijpend op het woord van de Britse historicus Acton. Bijna alle volkerenmoord is bedreven door dictators, voor het overgrote deel door totalitaire tirannen; ook vrijwel alle oorlogen zijn door dictators begonnen, en vooral door totalitaire tirannen.

Van die monsters is de wereld nu vrijwel verlost. Wat rest zijn autoritaire fundamentalistische of militaristische, fascistoïde regiems. Die zijn erg genoeg, afgaande op de massaslachtingen in het Indonesië van Soeharto, het Rwanda van de Interahamwe, het Irak van Saddam Hussein, of, op kleinere schaal, omdat hij in zijn beulswerk steeds gestoord werd, het Servië van Milosevic.

Ook democratische landen hebben volkerenmoord begaan, maar op veel kleinere schaal. Ze paraisseren op de lijst van democides in de grootteorde van honderdduizend en het gaat dan in de twintigste eeuw vrijwel altijd over externe acties: dus ofwel over koloniale expedities, zoals bijvoorbeeld van de Verenigde Staten in de Filippijnen, óf massale bombardementen op een stadsbevolking, zoals de Verenigde Staten op de steden van Japan, en Groot-Brittannië (met de VS) op Duitse steden.

Massapropaganda

Nieuw aan de massale mensenvernietiging in de Nieuwste Tijd is ten eerste de schaal waarop het gebeurt en ten tweede de manier waarop die slachtingen zich voltrokken. Ten derde, en meest belangrijk, de rol daarbij van de staat en van het staatsvolk, de natie.

Vooruitgang in de vernietigingstechniek heeft aan de massaliteit bijgedragen, maar die nieuwe technieken gaven op zich niet de doorslag. Met bijl, kolf, knuppel en sikkel zijn ook in deze tijd miljoenen mensen afgemaakt. Daar zijn blijkbaar geen gaskamers of nucleaire raketten voor nodig. Er zijn andere soorten van techniek die veel meer aan de schaalvergroting van het moorden hebben bijgedragen: de techniek van de massapropaganda, en de techniek van de massa-organisatie.

Het beeld van routineus en passieloos automatisme beantwoordt aan het ideaalbeeld, het zelfbeeld van de administrateur en de militair als moordenaars. Maar zo ging het nergens en nooit.

In werkelijkheid moeten de daders mensen afmaken die proberen te vluchten of zich te verbergen, die trachten zich vrij te kopen of die zich verzetten. De doders moeten werken onder hoge tijdsdruk, vaak onder oorlogsomstandigheden, dikwijls niet ver van het front. Zij zijn bang voor hun bazen, ze moeten zich over hun weerzin heenzetten, hun walging, hun medelijden en hun schaamte. Ze werken zich in een roes, en raken in een razernij, ze gaan zich te buiten op elke mogelijke manier en haast iedere manier wordt dan mogelijk. Het feitelijke moorden is een wild en een barbaars bedrijf. Het is goor.

Daarmee worden in het verhaal over massale mensenvernietiging twee lijnen zichtbaar die elkaar nooit helemaal raken – die van het machinale en die van het barbaarse, de spookbeelden van machinemensen en beestmensen, van bureaucraten en barbaren. Die twee beelden lijken elkaar uit te sluiten.

Waren de daders wild en barbaars als beesten, of waren zij kille, gedisciplineerde moordmachines? Dat is de vraag die zich nu al een eeuw lang blijft opdringen in het Europese debat.

De twee antwoorden lijken onverenigbaar: één van beide moet de juiste zijn. Ik denk daarentegen dat ze wél samengaan en dat voor een beter begrip het nodig is om ze te herkennen als twee aspecten van één proces, dat ik eerder `compartimentalisering' heb genoemd: terwijl mensen met elkaar een `wij-groep' vormen, kunnen zij anderen, de `zij-groep' dus, emotioneel uitsluiten door alle overeenkomst met hen te loochenen, en hen bovendien maatschappelijk uitstoten door ze met afzonderingsmaatregelen in een sociaal isolement te brengen. Deze processen van sociale en emotionele `compartimentalisering' zijn – lijkt mij – een noodzakelijke voorwaarde voor democide. Maar onder de feitelijke daders werken ze verder en dieper door. Die moeten zich immers van alle identificatie met de slachtoffers ontdoen om hun beulswerk effectief te kunnen uitvoeren. Dat is hun emotionele compartimentalisering. Het moorden vindt plaats in afzondering, op afgeschermde plaatsen, binnen duidelijk gemarkeerde tijdsperioden, alweer gecompartimentaliseerd naar plaats en tijd. Daarbuiten, daarvóór, daarná is de democidale moordenaar een `gewoon' mens, een `ordinary German', een vreedzaam, een vriendelijk mens.

De doders gaan het compartiment van de massamoord binnen en ze gaan het ook weer uit, als werkers die op de afgesproken tijd met hun handwerk beginnen en er na gedane zaken mee `klaar' zijn en dan ook prompt de werkplek verlaten. Onder hun kameraden, of in hun gezin zijn ze dan een `ander mens'.

De afzondering van het beulswerk uit de omringende samenleving maakt het de overige burgers mogelijk het op hun beurt uit hun eigen gevoelswereld te sluiten. Zij komen daar niet, ze zien het niet, ze weten niet wát daar gebeurt, maar wel dát er iets gebeurt en dat het verschrikkelijk is. Zo is het mogelijk ze te terroriseren, zonder dat het nodig is ze te informeren.

Die compartimentalisering werkt ook op wereldschaal door. De gebieden waar op grote schaal gemoord wordt zijn nagenoeg ondoordringbaar voor buitenstaanders. Mensen kunnen er niet veel van weten en willen er liever niets van weten. De democides worden graag genegeerd en gauw vergeten.

Ook Nederlanders hebben gemoord en mensen tot de dood toe uitgebuit in Indië en later in Indonesië. Ook Nederlanders waren als collaborateurs betrokken bij totalitaire genocide op de joden in de jaren '40-'45. Nederlanders hebben in 1995 in Bosnië dadeloos duizenden mannen laten wegvoeren, zoals weldra bleek: naar de executieplaats. Er is niets in het Nederlandse volkskarakter dat zoiets uitsluit.

Na de Tweede Wereldoorlog, terwijl in Europa tientallen miljoenen mensen verdreven waren en op de vlucht, terwijl miljoenen ontheemden en krijgsgevangenen alsnog werden afgemaakt, werden in Nederland honderdduizend `politieke delinquenten' geïnterneerd. Uit de grote studie van A.D. Belinfante, In plaats van bijltjesdag, (1978) blijkt in de eerste plaats dat binnen de kortste keren het geteisem een baantje als bewaker wist te veroveren. Het hele, obscene repertoire van schoppen, ranselen en treiteren werd ook voltrokken aan de gedetineerden. Dat is de eerste lering. Voor zover bekend zijn er uiteindelijk zevenendertig gevangenen vermoord.

In vergelijking met elders bleven de wantoestanden beperkt en er kwam vrij snel een eind aan. Het is soms goed te weten waarom iets níét misging, hoe een massacre uit kon blijven. Dat kwam doordat in Nederland de inspectie, het ministerie en de regering ingrepen en doordat de rechtsorde, hoe onvolkomen ook, al vrij snel weer hersteld werd. Dat is de tweede lering.

Er functioneert in de Nederlandse samenleving en in een aantal andere samenlevingen een institutie die de moordlust matigt en de moordenaars inperkt. Dat is de democratische rechtsstaat.

Absolute macht moordt absoluut.

De rechtsstaat beschermt, relatief.

Dit is een reeks fragmenten uit de Huizingalezing die de Amsterdamse universiteitshoogleraar sociale wetenschappen prof. dr. A. de Swaan gisteren hield onder de titel `Moord en de Staat; over identificatie, desidentificatie en massale vernietiging'. De volledige tekst verschijnt bij uitgeverij Bert Bakker, ISBN 9035126599, voor euro 12,50.

    • Abram de Swaan