Kurkentrekkers met een foute schroefdraad

In zijn artikel over kurkentrekkers (NRC Handelsblad, 9 december), haalt Rob Biersma de verhandeling `De fysica van de kurketrekker' van de Groningse natuurkundige Hendrik de Waard aan, dat achttien jaar geleden in deze krant verscheen.

Ik heb destijds in deze krant commentaar gegeven op de verschillende hefboom- en schroefconstructies, maar vooral op de door De Waard uitgesproken veroordeling van de gesloten spiraal, het model `houtschroef', in tegenstelling tot de open spiraal, de tot helix gewonden staaldraad.

Intussen heeft de dubbellange gecoatte spiraal à la Screwpull gezegevierd die, zoals Biersma het zo mooi zegt, `de kurk ingaat en in één doorgaande beweging de kurk trekt'. Maar de `houtschroef' is nog steeds niet begrepen. Biersma zegt weliswaar dat de inferioriteit van de houtschroef een fabeltje zou zijn, en dat `het enige bezwaar is dat er vaak te weinig schroefdraad op zit'. Misschien bedoelt hij het juiste, maar uit zijn woorden is dat niet direct op te maken. Het gaat namelijk, zoals ik achttien jaar geleden ook al schreef, om de verhouding tussen buiten- en kerndiameter van de `houtschroef'. De verhouding tussen buitendiameter en kerndiameter dient ten minste 8 op 1 te zijn, veel kurkentrekkers uit mijn collectie hebben een verhouding 10 of 12 op 1.

Een dikke en/of konische kern moet namelijk kurkmassa verplaatsen, en dat is uit den boze omdat de kurk daardoor juist tegen de flessenhals geperst wordt en moeilijker te trekken is. Had Biersma over `te ondiepe' i.p.v. `te weinig' schroefdraad gesproken dan was ik het met hem eens geweest.

    • Christian Von Klösterlein