Kerst klem tussen Santaclaus en de evangelisten

Hoezo stal, hoezo ezel, hoezo drie koningen? Allemaal later erbij verzonnen. Het oorspronkelijke kerstverhaal was bescheidener.

Dit is het evangelie van December, een verhaal achter oude winterverhalen die al talloze malen eerder zijn verteld – maar lang niet zo vaak als dat ene verhaal, over een maagd die zwanger was, om onder primitieve omstandigheden te bevallen van een goddelijk koningskind.

Kerstmis, jaarwisseling, sinterklaas: oeroude feesten die hun oorsprong vinden bij knappend houtvuur in barre winternachten, opwarmend voor betere tijden, waarin `God redt' (= Jezus, in Grieks en Latijn, afgeleid van het Hebreeuwse Jesjoewa), waarin braaf zijn altijd loont en het vanzelf wel weer mooi weer wordt.

Eén bron voor al die verhalen valt eenvoudig aan te wijzen: de geboorte van een jood in Palestina. Maar één verhaal is het niet en eenduidig is het ook niet. Wat zegt die ene bron? Goed beschouwd vrij weinig. De geboorte van het Christus-kind (`de Gezalfde') krijgt in de bijbel een betrekkelijk summiere behandeling. Alleen in de evangeliën van Mattheüs en Lucas, samen tweemaal vijf alinea's – niet langer dan twee stevige nieuwsberichten in deze krant.

Het héle Kerstverhaal in zo weinig tekst? Nee, niet het hele verhaal. Het verhaal is aangevuld en ingekleurd, in ruim twintig eeuwen van (eerst mondelinge) overlevering, beeldende kunst en `verfilming'.

We zien timmerman Jozef naar Bethlehem gaan, met zijn onbevlekt bezwangerde verloofde Maria op een ezel. Maar die ezel komt in de bijbel helemaal niet voor. Is erbij verzonnen. We zijn getuige van een bevalling in een stal, in aanwezigheid van een os en een ezel.

Hoezo stal, hoezo vee? Het zijn mooie beelden, maar `Gods Woord' is het niet. Één bijzin in Lucas 2:7 is het slechts – `[zij] legde Hem in een kribbe, omdat voor hen geen plaats was in de herberg'– die uiteindelijk het decor van het schamele `stalletje' heeft opgeleverd. Was het in de zesde-eeuwse Byzantijnse kunst nog een grot waarin Jezus ter wereld kwam, pas in het veertiende eeuwse Italië breekt de stal echt door als kraamkamer.

Even kleurrijk is de ontwikkeling die de `drie koningen' in de loop der eeuwen hebben doorgemaakt. Mattheüs spreekt hier slechts van `wijzen uit het oosten', zonder een aantal te noemen. In de derde eeuw nemen zij de gedaante aan van koningen.

Pas in de twaalde eeuw krijgen zij echte namen en een nieuwe rol toebedeeld, als de `missiepaters' Melchior (oud), Caspar (jong, zwart) en Balthasar (volwassen) die Europa, Afrika en Azië moesten kerstenen. En overigens: de `wijzen' bezochten het `kindeke Jezus' in een `huis' (Matthëus 7:11), niet in een grot of een stal.

Het kerstfeest behoort tot de oudste van de christelijke vieringen, maar het grootste feest is het niet altijd en overal geweest. Pasen, het feest van de opstanding, ging meestal voor.

Vleugels krijgt het kerstfeest onder keizer Constantijn de Grote, die omstreeks het jaar 330 bepaalt dat Christus geboren moet zijn op 25 december, de dag van het Romeinse zonnewendefeest sol invictus (`de onoverwinnelijke zon'). Twee eeuwen later, in 525, is de christelijke jaartelling aan Jezus' geboorte gekoppeld, door een archivaris van paus Johannes I, die deze opdracht niet zonder rekenfouten heeft kunnen volbrengen. Aldus geschiedde dat Christus circa vier à zeven jaar vóór zijn eigen jaar nul geboren moet zijn, zo is eeuwen later na nieuw rekenwerk vastgesteld.

Het kerstfeest in de Nederlanden is gedurende de Middeleeuwen uitbundig gevierd, waarbij jongelui zingend en schuimend over straat gingen. Het was een wijd verbreid en luisterrijk gebruik, toen de wereld nog zoveel eeuwen jonger was. Sporen daarvan zijn nog altijd terug te vinden in de vieringen van Sint Maarten en Luilak. Maar de calvinistische dominees, steeds machtiger vanaf de zestiende eeuw, konden er slecht mee leven. Zij preekten een geloof zonder franje, van soberheid tot en met verdoemenis.

De kerstviering had voor het volk geen bekoring meer. Totdat het in de loop van de negentiende eeuw een nieuwe impuls kreeg van (oorspronkelijk) Duits-romantische burgerlijkheid.

In die dagen marcheert, bij kaarslicht en kerstgroen, een heuse poppenparade van ezels en herders en koningen de huiskamer binnen, op weg naar dat mythische kleine kribje. En kijk, wie zien we daar omstreeks dezelfde tijd ook binnenkomen met zijn knecht? Sinterklaas.

Zoals de Jezus-verering stamt ook de Nicolaas-viering uit een vroeg-christelijke traditie, maar een feest met een als bisschop verklede volwassene met een zwart geschminkte handlanger werd het pas halverwege de negentiende eeuw.

Om over de authenticiteit van zijn Amerikaanse neef, de kabouter Plop-achtige Santa Claus, maar te zwijgen. Die is in 1809 bedacht door één man, schrijver Washington Irving, voor een roman die zich wist te ontwikkelen tot een Harry Potter-achtig kassucces.

Het is nog maar enkele jaren geleden dat over de houdbaarheid van Sinterklaas uitvoerig en bezorgd is geschreven. Zou de Kerstman hem wegconcurreren, die `rood-groene lul', zoals schrijver Nicolaas Matsier hem krachtig afserveerde, daarin bijgevallen door de actiegroep `Claus Raus'? Zou de traditie van Sint Nicolaas wegsmelten en het heilige feest van Christus verworden tot louter een feest-voor-de-heb?

Het grootste gevaar lijkt inmiddels geweken. Nederland heeft dit jaar sinterklaas gevierd op een schaal die groter is dan ooit tevoren. De kerstviering dreigt dit jaar wat te gaan tegenvallen – ook al is het door stagnatie van de consumptieve bestedingen.

Maar dat is een heel ander, ook nogal oud verhaal.

Onder meer geraadpleegd: Evangeliën van Mattheüs en Lucas; `Rituelen, nieuwe en oude gebruiken in Nederland', Jef de Jager (2002); `Les 10 mystères du Christ', Le Nouvel Observateur (26 december 2002).