Boeren hangen hun klompen aan de wilgen

In een jaar tijd zijn er weer ruim 4.000 boerenbedrijven gestopt, elf per dag. Met name in de intensieve veehouderij houden veel boeren het voor gezien. ,,Waar het ophoudt, weet niemand.''

Hij moet toegeven, er stoppen de laatste jaren wel erg veel boeren met hun bedrijf. Zegt Kees de Bont van het Landbouw Economisch Instituut (LEI). De econoom haalt er de cijfers bij die eerder deze week bekend werden gemaakt door het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS). Tussen april 2002 en april 2003 zijn ruim 4.000 boerenbedrijven gestopt. Omgerekend zijn dat er elf per dag. ,,Het gaat hard. En het is al een paar jaar zo'', zegt De Bont. Volgens het CBS telt Nederland nu nog zo'n 95.000 boerenbedrijven. De Bont: ,,Waar die daling ophoudt, weet niemand''.

Dat het aantal boeren afneemt, is niks nieuws. Het is een proces dat al zeker een eeuw aan de gang is, gedreven door industrialisatie en verstedelijking. Maar het gaat nu wel snel. In de jaren negentig van de vorige eeuw hielden jaarlijks zo'n 3.000 boerenbedrijven op te bestaan. Sinds 1999 zijn dat er zeker 1.000 meer. In 2000 waren het er zelfs 4.700. Volgens De Bont heeft het onder meer te maken met de crises in de intensieve veehouderij. Varkenspest, mond-en-klauwzeer, gekkekoeienziekte, het waren stuk voor stuk zware klappen voor de veehouders. ,,Het kost geld als je bedrijf een tijdje stilligt, want je produceert niks'', zegt De Bont. ,,Bovendien verlies je je marktpositie. Die moet je vervolgens weer veroveren, bijvoorbeeld door het vlees voor erg lage prijzen aan te bieden. Ook dat kost geld.'' Daarnaast krijgen varkenshouders de laatste jaren sowieso weinig geld voor hun dieren, wegens overproductie. Ook in de akkerbouw en de melkveehouderij liggen de prijzen laag.

Volgens De Bont zijn het met name varkens- en melkveehouders die de laatste jaren ,,hun klompen aan de wilgen hangen''. Maar ook in de akkerbouw en de tuinbouw stoppen boeren. Oorzaken: crises, weinig inkomsten, steeds meer overheidsregels en daardoor stijgende kosten, toenemende concurrentie uit het buitenland. En, geen opvolging voor het bedrijf. De helft van alle boeren in Nederland is ouder dan vijftig. En van hen heeft 60 procent geen opvolger.

Het is verleidelijk om uit de daling van het aantal boerenbedrijven af te leiden dat de landbouw uit Nederland aan het verdwijnen is. Dat is niet zo. Het totale oppervlak aan landbouwgrond is gedurende de laatste decennia amper afgenomen. Het bedraagt circa twee miljoen hectare – dat is 20.000 vierkante kilometer, ofwel 58 procent van het totale Nederlandse oppervlak. Het heeft te maken met een ander proces dat al decennialang aan de gang is: schaalvergroting. Een boer die ermee stopt, verkoopt zijn grond, zijn dieren, of zijn stallen vaak aan een buurman. De overblijvers worden alsmaar groter. Het aantal boerenbedrijven met meer dan een vierkante kilometer aan land is de laatste tien jaar verdubbeld tot zo'n 1.500.

De laatste jaren hebben veel varkens- en melkveehouders hun dieren verkocht aan het ministerie van Landbouw, via de zogeheten opkoopregeling. De overheid heeft die tijdelijke regeling in het leven geroepen om het mestoverschot te verkleinen. Sinds 1995 is het aantal varkens met 25 procent afgenomen tot circa 11 miljoen. En het aantal runderen daalde in die tijd ook met bijna een kwart, tot 3,6 miljoen. De intensieve veehouderij in Nederland is flink gekrompen.

Zijn er over vijftig jaar nog wel boerenbedrijven over in Nederland? De Bont is overtuigd van wel. ,,Elke generatie halveert het aantal boerenbedrijven'', zegt hij. Daarvan uitgaande zouden er in 2050 nog zo'n 24.000 over zijn. Die bedrijven zijn nóg groter dan nu al het geval is. Met vele honderden koeien, tienduizenden varkens, of honderdduizenden kippen. Volgens De Bont zal de landbouw nooit helemaal uit Nederland verdwijnen. Wanneer de daling van het aantal bedrijven zal stabiliseren, weet hij niet.

    • Marcel aan de Brugh