Alleen de honden en ik zijn niet Hongaars

`Deze winter sneeuwde het Russisch, drie dagen aan een stuk, dicht en hard. 12 graden onder nul was niets. Ik ben met menig sneeuwjacht uitgeweest met de slee, 'n hoop stro d'r in. De paarden ervoor, kling, kling, kling. IJskoud maar toch lollig, ik heb zo dikwijls aan jullie gedacht. Een thee met rum in een herbergje, wat dronken koetsiers en boeren, en dan buiten het dorp de vlakte, vlakte met sneeuwvlokken', schreef tante Marietje in februari 1935. `En één keer in die sneeuwjacht, een kar op wielen, zeulend door de sneeuwhoop heen. ,,Wie zijn die gekken?'', zeg ik aan het koetsiertje. Het was de knecht van Gázlo van m'n vriendin Festetics. Een kolliehond lag ook op de wagen. ,,We hebben drie dagen de kollie gezocht'', zegt de knecht, ,,door dat weer. Het beest is er vandoor geweest met een lelijke rothond en als Mevrouw dat wist... Mevrouw is in Boedapest''. ,,Nou, en als die kleine hondjes komen?'', schreeuw ik hem toe door de sneeuwstorm. Een heerlijke graaibeweging, vol haat door drie dagen zoeken. Een andere handbeweging voorstellende de verdrinkingsdood van de mormeltjes.'

Tante Marietje en haar man runden een boerderij en een stenenfabriekje in het zuid-oosten van de provincie Somogye. In het najaar van 1934 stierven 41 biggen aan een epidemie, het gevogelte stierf als vliegen en een van de trekossen viel dood neer tijdens het ploegen. Maar Marietje was niet van haar stuk te brengen. `De puszta maakt het best. Dat lollige lapje grond, waar je maar een beetje in hoeft te krabben en wat 'n oogst jongens!'

Marietje's grootvader, Albin von Vetsera, kwam uit Bratislava - toen Hongarije, nu Slowakije - en was diplomaat in de Oostenrijks-Hongaarse dubbelmonarchie. De geschiedenis denderde over het gezin Vetsera heen. De oudste broer, Ladislau, stierf in 1881 bij een brand in het Weense ringtheater, de jongere broer Feri in de eerste wereldoorlog in Polen, de vader - Marietje's grootvader - in 1887 aan een longaandoening. Dan waren er nog twee dochters in het gezin; Hanna, tante Marietjes moeder, die in 1897 een Hollander trouwde, in 1898 een dochter kreeg - Marietje - en in 1901 stierf door een tyfus-epidemie. Ten slotte was er nog een één jaar jonger zusje, naar wie tante Marietje mogelijk vernoemd is; Mary von Vetsera.

Deze Mary ontmoette in april 1888 bij de paardenrennen kroonprins Rudolf, de enige zoon van keizer Frans Jozef en keizerin Elisabeth, in de volksmond Sisi. De 17-jarige Mary werd Rudolfs maitresse. Op 30 januari 1889 werden zij samen dood gevonden in jachtslot Mayerling, in de bossen een eindje buiten Wenen. Nog altijd is niet duidelijk wat daar gebeurd is, wel is duidelijk dat Mary weggemoffeld moest worden. Twee ooms smokkelden haar lichaam het jachtslot uit en ze werd midden in de nacht, zonder aanwezigheid van verdere familie, begraven, zoals je een hond nog niet begraaft. Een zelfmoord, laat staan een dubbele zelfmoord, was het laatste wat in het katholieke Oostenrijk met de kroonprins verbonden mocht worden.

Opvallend is dat bijna alle Hongaarse helden suïcidale trekjes tonen, tenminste vrijwel iedere held is vooral onsterfelijk geworden door te sterven. Nog altijd hangt in de voormalige dubbelmonarchie iets destructiefs in de lucht. Hongarije heeft al decennia lang - Rudolf als role-model? - een van de hoogste zelfmoordcijfers van de wereld.

Op het net surfend vind ik steeds andere verhalen en verklaringen voor hun dood; het was een amour fou en omdat zij beiden al getrouwd waren (zij met een vriend van Rudolf; de hertog van Braganza, hij met prinses Stephanie van België), schoten zij zich door het hoofd. Een andere verklaring is dat hij de liberale ideeën en de liefde voor Hongarije van zijn moeder had geërfd en zijn vader hem om die reden liet ombrengen. Of hij was eenvoudigweg gek en leed aan de Wittlesbach afwijking, net als zijn Walt Disneypaleizen bouwende oudoom Ludwig II van Beieren.

De moeder van Mary schreef kort na het drama het pamflet `Denkschrift Uber Die Katastrophe Von Mayerling'. De geheime politie van de Habsburgers wist vrijwel alle kopieën van deze aanklacht te vernietigen. Een van de zeldzame exemplaren die de geheime politie niet vond was in handen van Hanna von Vetsera, Marietjes moeder. Marietjes grootmoeder overleefde haar echtgenoot en allevier haar kinderen en stierf, aan lager wal geraakt, in 1925 in Wenen. Zeven jaar na de dood van haar onfortuinlijke grootmoeder verhuisde tante Marietje naar de voormalige dubbelmonarchie.

Pas nadat wij in het onvindbare gehucht T. in het zuiden van Hongarije een huis hadden gekocht, hoorde ik van deze verre, wonderlijke connectie. Ik pakte de kaart van Hongarije en zocht waar tante Marietje met de arreslee over de velden trok; nog geen dertig kilometer van T.! Even later zat ik in de auto, op weg naar tante Marietje's poesta.

Een in elkaar gezakt hek om een verdord stuk land, van de provinciale weg iets de heuvel op, dan een aantal langwerpige bakstenen gebouwen met golfplaten daken. Het was niet duidelijk of het leeg stond of door zigeuners in gebruik genomen.

Een man met een enorme pens, onbedekt, kwam te voorschijn, klaar om me af te maken. Ik noemde tante Marietjes naam – dat was genoeg. Hij sprak enkele woorden Duits en liet me de tienduizenden kippen zien die nu gefokt werden, daar waar ooit tante Marietje leefde. Het stonk als de hel.