Zwijgen met een schreeuw

School aan de grens van de Hongaarse schrijver Géza Ottlik (1912-1990) is een sterk bewerkte versie van een eerder werk over hetzelfde onderwerp, de `onnodige ervaringen' van een groepje jongens op een militaire school met ijzeren discipline. Ottlik was zelf ooit leerling op zo'n militair internaat, en het thema was dus sterk autobiografisch. De oertekst die al in 1948 bij de uitgever lag, trok Ottlik op het laatste moment terug om er nog tot 1959 aan te schaven. Het resultaat is één van de absolute hoogtepunten van de Hongaarse literatuur – door wat er in staat, en door wat er niet staat.

Het verhaal begint op een hete julidag in 1957, als Bébé en Szeredy, twee van de hoofdpersonen, elkaar in het zwembad treffen en Szeredy meedeelt dat hij gaat samenwonen met zijn vriendin, een joodse vrouw die hij in 1944 met gevaar voor eigen leven van de dood heeft gered. In de roman speelt deze heldendaad verder geen rol meer, net zo min als het zo beladen tijdstip van deze ontmoeting: nog maar een half jaar na de bloedig neergeslagen opstand van 1956. Het is zwijgen over het onzegbare, maar wel zwijgen met een schreeuw. In 1959 op zichzelf al niet minder dan een heldendaad.

De twee mannen voeren geen echt gesprek, ze hebben aan een half woord genoeg om elkaar te begrijpen. Ze denken terug aan hun inmiddels overleden vriend Medve, die `het wel zou weten'. De schrijver Medve heeft Bébé een manuscript nagelaten over hun gezamenlijke tijd op de militaire school. Aan de hand daarvan vertelt Bébé het verhaal, aanvankelijk door eruit te citeren en de citaten tegen zijn eigen herinnering af te zetten. Langzaamaan neemt Bébé echter de rol van de alleswetende verteller aan, maar hij blijft een dubbel perspectief hanteren – dat van Medve en dat van zichzelf.

Gábor Medve en Benedek `Bébé' Both zijn tien jaar, wanneer ze in de herfst van 1923 in de tweede klas van een militair internaat terechtkomen. Met vier andere nieuwelingen moeten ze hun plek vinden in de al bestaande hiërarchie. Al spoedig blijkt dat de regels op deze `school aan de grens' niets te maken hebben met die van de wereld waaruit ze afkomstig zijn: een warm, liefdevol, burgerlijk milieu. Hier gelden alleen bevelen, vooral die van de sadistische sergeant Schulze, die de rekruten fysiek en psychisch afbeult en vernedert.

Naast de zichtbare rangorde is er binnen de groep jongens ook een onzichtbare, wredere pikorde die net zo logisch als onverklaarbaar is. Merényi, een slaperig ogende jongen, en zijn vrienden hebben de macht om hun mede-leerlingen te terroriseren en wee degene die tegen hen in opstand komt. Merényi is niet de sterkste, de slimste of de knapste, maar heeft zich wel de macht kunnen toeëigenen. Ieder kind heeft een eigen strategie om zich onder deze omstandigheden staande te houden – de een onderwerpt zich, de ander probeert zich onzichtbaar te maken. Dani Szeredy, Bébé's buurman in de slaapzaal, met wie hij zijn kast deelt, houdt zich afzijdig – niet meedoen is op zichzelf al gevaarlijk en vereist fysieke kracht en morele ontwikkeling. Bébé schurkt voorzichtig tegen de machtigen aan, maar tegelijk heeft hij groot ontzag voor Medve, die als enige in opstand komt. Medve neemt het niet alleen tegen Merényi op, maar ook tegen het hele systeem: op een nacht loopt hij uit de kazerne weg. Zijn vluchtpoging slaagt, maar hij komt de volgende ochtend uit zichzelf terug naar de school. Niet bang of verslagen, nee. Vanaf die nacht is Medve vrij, en zijn terugkeer naar de onvrijheid is dan ook zijn eigen, vrije keuze.

Ruim vierhonderd bladzijden lang lezen we over de kleine, onbeduidende, maar het gehele verdere leven bepalende gebeurtenissen tijdens de drie jaar op het internaat die Bébé, Szeredy en Medve de basis geven voor een band, sterker dan vriendschap.

Ottliks verhaal is veel meer dan een wordingsroman. Inhoud en structuur zijn zo bijzonder en baanbrekend, en hebben de schrijver zoveel gezag opgeleverd dat het niet overdreven is te stellen dat School aan de grens een bepalende invloed heeft gehad op de hele moderne Hongaarse literatuur. Ottlik beeldt zijn belangrijkste filosofische onderwerpen ook met behulp van symbolen uit. Dat hij naar de hele waarheid zoekt, terwijl hij zich bewust is van de onmogelijkheid van dit streven, geeft hij aan door het noemen van Velasquez' schilderij Las Meninas – een kleurendruk ervan hangt aan de muur in de gang waar de jongens in het internaat dagelijks langslopen op weg naar de eetzaal.

Rembrandts De anatomische les van Professor Tulp, waarvan ook een kopie aan de muur hangt, heeft een andere symbolische betekenis. Met de trefzekerheid van de chirurgijn die door het aantrekken van één pees de hand de gewenste houding geeft, legt Ottlik de wetmatigheden van de machtsstructuur bloot. Het internaat wordt een kleinschalig, maar exact model van hoe angst een totalitair systeem bij elkaar houdt. Maar Ottlik gaat nog verder met zijn analyse. Geheel onverwacht en zonder reden wordt sergeant Schulze overgeplaatst wanneer de jongens in de vierde klas zitten. Hierdoor krijgen de leerlingen meer ruimte en vrijheid en lukt het één van hen om Merényi en zijn handlangers bij de schoolleiding aan te klagen met het gevolg dat zij van school worden verwijderd. Ottlik beschrijft ook haarfijn het proces van desintegratie, het machtsvacuüm dat ontstaat door het vertrek van Merényi en de noodzaak een nieuwe `leider' aan te stellen. Dit wordt Medve die tegen zijn zin zijn macht moet gaan gebruiken.

Ottlik inspireerde niet alleen zijn eigen generatiegenoten: Magda Szabó, Ágnes Nemes-Nagy, Miklós Mészöly – schrijvers en dichters die tussen publicatieverboden in bleven doorwerken, en als het niet anders kon, de kost verdienden met vertalen of het schrijven van kinderboeken. Hij werd ook door de `generatie van de Péters' – Esterházy, Nádas – op handen gedragen. Esterházy schreef School aan de grens eigenhandig, met potlood over op één tekenblad `om het schrijven te leren'. Dit werd zijn cadeau voor Ottliks zeventigste verjaardag. Nog blijvender dan deze grafische topprestatie is Ottliks herkenbare stempel op zijn werk, niet alleen in de vorm van gastteksten die hij van Ottlik geleend heeft, maar ook en juist in de essentie van Esterházy's oeuvre: de werkelijkheid is maar beperkt in woorden te vatten.

Zijn critici verweten Ottlik dat hij zijn leven lang over hetzelfde onderwerp – zichzelf – bleef schrijven; hetzelfde verwijt dat Imre Kertész ten deel viel van de kant van zijn tegenstanders. De sterke overeenkomsten tussen Ottlik en Kertész in onderwerp, zienswijze en vorm zijn dan ook zeker geen toeval. Kertész ziet Ottlik als `opvoeder', zoals blijkt uit het in 1996 verschenen gedenkboek: `Een leraar, die zijn taak in zichzelf ziet, in het uitwerken van zijn eigen persoonlijkheid. [...] Hij doet meer dan artistiek scheppen: hij vormt zijn eigen leven om tot het meesterwerk dat generaties opvoedt.'

Géza Ottlik: School aan de grens. Uit het Hongaars vertaald door Mari Alföldy. Wereldbibliotheek, 419 blz. euro 26,90

    • Györgyi Dandoy