Snelle oorlog zonder overkill

Geen enkel militair plan overleeft het eerste vuurcontact met de vijand, zo luidt een Amerikaanse militair gezegde. Operatie Iraqi Freedom, de eerste degelijke militaire geschiedenis van de oorlog tegen Irak, lijkt het bewijs te leveren dat het omgekeerde ook bestaat: geen Iraakse eenheid overleefde het vuurcontact met het Amerikaanse militaire plan. Drie weken slechts hadden de Amerikaanse en Britse strijdkrachten nodig om de georganiseerde militaire tegenstand te vernietigen. Achteraf lijkt die uitslag altijd al vast te hebben staan. Het Iraakse leger had in 1991, toen het uit Koeweit werd verdreven, al diep in het stof gebeten. Twaalf jaar later was de slagkracht van de coalitie bovendien relatief gekwadrateerd.

Toch is die conclusie voorbarig. Verrassingen op het slagveld horen bij oorlog als de post `onvoorzien' op een begroting. De Spaanse Armada heette destijds ook onoverwinnelijk, het Frans-Duitse leger was in 1940 omvangrijker en had betere tanks dan de Duitsers, en in 1973 kon het Israëlische leger maar ternauwernood ontsnappen aan een nederlaag nadat het de Arabische legers zwaar had onderschat. De onvermijdelijkheid van de overwinning is per definitie een wijsheid achteraf.

De auteurs van The Iraq War hebben een naam hoog te houden. Williamson Murray schreef voor het Pentagon de evaluatie van het luchtoffensief van Desert Storm in 1991, de prelude van operatie Iraqi Freedom dit voorjaar. Murray is verbonden aan het prestigieuze Institute for Defense Analysis, een soort militaire rekenkamer. Co-auteur is generaal Robert Scales, de voormalige commandant van het Army War College, een hogeschool voor veelbelovende officieren. Murray en Scales hebben zulke goede contacten dat ze bij wijze van spreken, en misschien ook wel letterlijk, op de stafkaarten van de bevelhebbers van Iraqi Freedom hebben mogen mee kijken.

Dat heeft geleid tot een goed geschreven boek, dat verhelderende inzichten biedt. The Iraq War maakt bijvoorbeeld duidelijk dat deze oorlog opmerkelijk weinig te maken had met de eerdere Desert Storm, ondanks de overduidelijke beeldrijm die de televisiekijker of krantelezer tussen de twee campagnes zal zijn opgevallen. Desert Storm, schrijven Murray en Scales met een opmerkelijke muzikale vergelijking, was een soort grondig gerepeteerde voorstelling van een klassiek concert, terwijl Iraqi Freedom beter te vergelijken valt met jazz, waarin uitdrukkelijk ruimte was voor improvisaties.

In 1991 bombardeerden geallieerde vliegtuigen wekenlang de Iraakse stellingen. Pas daarna trokken zware Amerikaanse en Britse tankdivisies op om de murw gebeukte restanten van de Iraakse strijdkrachten van de stafkaarten te vegen. Dat was eigenlijk zinloze overkill, zeiden de plannenmakers dit keer. Met een veel lichtere, snellere strijdmacht en totale superioriteit in de lucht, zou de Iraakse militaire leiding niet weten waar en hoe ze werden aangevallen en of hun eigen troepen nog gevechtswaarde hadden. De Iraakse strijdkrachten moesten tegelijk op alle fronten worden aangevallen: door de lucht met vliegtuigen en kruisraketten, over de grond vanuit Koeweit, vanuit het noorden met luchtmobiele eenheden, maar ook achter de linies met commando-eenheden en in de ether met chaos scheppende propaganda.

De technologische revolutie die de Amerikaanse en, in iets mindere mate, de Britse strijdkrachten hadden doorgemaakt, maakte het mogelijk de totale wanorde te creëren waarin de Iraakse strijdkrachten terechtkwamen. De Amerikaanse en Britse commandanten wisten dankzij de koppeling van slimme sensoren en draadloze verbindingen altijd precies waar hun eigen en vijandelijke eenheden waren, zelfs toen een dagenlange zandstorm de opmars hinderde. De Iraakse generaals hadden van geen van beide enig idee.

Hoewel het dus vooral nieuwe technologieën waren die deze doctrine, die best shock and awe mag worden genoemd, mogelijk maakten, zit er ook een politieke dimensie aan. Murray en Scales bevestigen dat Iraqi Freedom het einde betekende van de Powell Doctrine, de aanpak van militaire campagnes die werd vernoemd naar de hoogste Amerikaanse militair tijdens Desert Storm en de huidige minister van Buitenlandse Zaken Colin Powell. Die doctrine schreef twaalf jaar geleden voor dat het Pentagon alleen ten strijde mocht trekken indien er bijna-unanieme mondiale steun voor ingrijpen was en dat het overwicht totaal moest zijn. Bij Iraqi Freedom was geen van beide het geval.

The Iraq War presenteert ook enkele nieuwe feiten. Zo melden de auteurs dat Saddams fedayien, de milities die de opmars hier en daar deden stokken, vooral bestonden uit niet-Irakese strijders. Hun tactiek was afgekeken van de Somalische strijders die de Amerikanen in 1993 hadden weten te verdrijven.

Ook onthullen de auteurs hoe het Iraakse opperbevel slim werd misleid. De 101ste Luchtlandingsdivisie voerde schijnaanvallen uit op een hoofdweg bij Hillah naar Bagdad om de Iraakse Republikeinse Garde in de waan te laten over de hoofdrichting van het offensief. Terwijl de Irakezen optrokken naar het zogenaamd bedreigde punt, denderde de Amerikaanse hoofdmacht door de zogeheten Karbala-gap naar de hoofdstad.

De auteurs zijn juichend over de militaire planning en uitvoering van Iraq Freedom. Toch stellen ze nadrukkelijk ook te beseffen dat de militaire fase van een conflict maar het halve werk is. Indien de tegenstander zich niet gewonnen geeft, kun je geen victorie kraaien. De voortgaande bomaanslagen getuigen ervan dat in Irak, ook na de arrestatie van Saddam Hussein, het slotakkoord nog niet heeft geklonken.

Williamson Murray en Robert H. Scales: The Iraq War. A military history. Harvard University Press, 312 blz. euro 28,15

    • Menno Steketee