Mystificatie van Koolhaas

Koolhaas voor leken verklaard, zo heeft de uitgever een paar maanden geleden het net verschenen Wat is OMA. Betreffende Koolhaas en het Office for Metropolitan Architecture aangekondigd. Zo'n boek, waarin deskundigen op een leesbare manier het verschijnsel Koolhaas verklaren, is geen overbodige luxe. Want hoewel Rem Koolhaas een veelschrijvende architect is, weet hij lang niet altijd duidelijk te maken wat hij nu precies bedoelt. Vooral als je zijn publicaties uit het Engels vertaalt, valt op hoe zijn teksten lijden onder een neo-barokke overvloed aan ornamenten en metaforen die de inhoud vaak vertroebelen.

Helaas biedt het recente Wat is OMA geen beter zicht op die inhoud. Maatgevend is de eerste zin van de eerste tekst, geschreven door de directeur van het Nederlands Architectuurinstituut Aaron Betsky. Deze eerste zin, waarin Betsky beweert dat Koolhaas `ten strijde trekt' tegen onder meer de `conditionele ruimte', geeft de lekenlezer onmiddellijk het gevoel dat ook dit boek toch weer niet voor hem is bedoeld.

En dat gevoel klopt. De enige twee leesbare teksten zijn van H.J.A. Hofland en Ian Buruma. Hoflands bijdrage heeft als nadeel dat deze over een heel beperkt deel van Koolhaas' oeuvre gaat: Koolhaas' boek Delirious New York uit 1978. En Buruma's lofzang op Koolhaas dateert al uit 1996, terwijl je nu juist benieuwd bent wat Buruma vindt van de opdracht die Koolhaas vorig jaar kreeg om met het nieuwe gebouw van de Chinese staatstelevisie in Peking het hart van de communistische propagandamachine te bouwen. In de Britse krant The Guardian schreef Buruma vorig jaar dat beroemde westerse architecten moesten weigeren om in China te bouwen, omdat dit land nog altijd een dictatuur is die hun steun niet verdient.

De rest van de stukken in Wat is OMA, van onder anderen Neil Leach, Okwui Enwezor en Bart Verschaffel gaan gebukt onder gedeeltelijke tot volstrekte onleesbaarheid. Ze staan vol jargon, vage begrippen en, vooral, lelijke, kromme en onbegrijpelijke zinnen. Wie ze leest, weet nog minder over Koolhaas dan daarvoor.

Opvallend is dat vrijwel alle auteurs vooral schrijven over Koolhaas' boeken en geschriften en nauwelijks over zijn gebouwen. Zo blijft Koolhaas in Wat is OMA ondanks zijn inmiddels forse oeuvre van gebouwde ontwerpen, nog steeds de `papieren architect', zoals hij – tot zijn ergernis – vanaf het begin van zijn loopbaan tot jaren daarna steeds is genoemd.

Véronique Patteeuw (red.): Wat is OMA. Betreffende Koolhaas en het Office for Metropolitan Architecture. NAi Publishers, 184 blz. euro 25,–

    • Bernard Hulsman