`Hollandse aanpak' fnuikend voor integratie

De integratie van allochtonen blijft in Nederland achter vergeleken met de situatie in andere Europese landen, blijkt uit een vergelijking van Ruud Koopmans, hoogleraar sociologie aan de Vrije Universteit in Amsterdam, die tot voor kort in Berlijn werkzaam was.

De integratie van migranten in Nederland blijft achter bij die in de meeste andere West-Europese landen. Alleen België en Zweden doen het even slecht als Nederland, of zelfs nog slechter. Groot-Brittannië en Duitsland slagen er beter in om migranten te integreren dan in Nederland.

Dat is de belangrijkste conclusie uit een Europees onderzoek van Ruud Koopmans, hoogleraar sociologie aan de Vrije Universiteit van Amsterdam, dat deze maand wordt gepubliceerd. De kloof tussen migranten en Nederlanders op de arbeidsmarkt is groter dan in vrijwel alle andere Europese immigratielanden. Migranten in Nederland leven meer afgezonderd van de rest van de bevolking (gesegregeerder) dan in Duitsland. En Nederland is met afstand Europees koploper wat betreft de oververtegenwoordiging van migranten, vooral jongeren, in gevangenissen, blijkt uit het onderzoek.

,,Vergeleken met de meeste andere Europese immigratielanden is het Nederlandse integratiebeleid weinig succesvol geweest'', zegt Koopmans. ,,De verschillen tussen witte en zwarte scholen en tussen witte en zwarte wijken zijn in Nederland uitgesproken groot. Het is een funeste combinatie. Op deze manier wordt de kans op contacten tussen migranten en Nederlanders kleiner in plaats van groter.''

Wil de integratie van migranten verbeteren, dan is het volgens hem noodzakelijk dat het hoge niveau van segregatie op het gebied van huisvesting en scholen wordt aangepakt. ,,De selectiepolitiek van scholen en de onbeperkte keuzevrijheid die ouders hebben, is in Nederland veel groter dan in andere Europese landen'', stelt de wetenschapper vast. Beide leiden ertoe dat ouders hun kinderen naar een school sturen met geen of zo min mogelijk gekleurde leerlingen. ,,Niemand zal het toegeven, maar het Nederlandse overheidsbeleid om etnische verschillen te benadrukken leidt tot collectief racistisch gedrag, bijvoorbeeld dat ouders massaal kiezen voor witte scholen''.

Koopmans (42) was tien jaar als socioloog werkzaam in Berlijn. Sinds kort is hij hoogleraar sociologie aan de VU. Anderhalf jaar geleden deed hij stof opwaaien met een onderzoek waaruit bleek dat migranten in Duitsland het beter deden dan in Nederland. De verzuilde aanpak in Nederland (`Hollandse apartheid') was volgens hem fnuikend voor de integratie. Voor de parlementaire integratiecommissie in Den Haag was dit aanleiding de hoogleraar onlangs uit te nodigen voor een gesprek. In januari verschijnt het eindverslag.

Een internationale vergelijking is onontkoombaar wil je weten of het Nederlandse beleid is geslaagd of mislukt, zegt Koopmans. Hij heeft een eerste poging gewaagd en zijn onderzoek uitgebreid met Zweden, België, Frankrijk, Denemarken, Oosterijk, Groot-Brittannië en Zwitserland.

Nederland spant de kroon in Europa op het gebied van formele rechtsgelijkheid tussen migranten en Nederlanders. Wat betreft het verlenen van culturele rechten (ritueel slachten, gebedsoproep, islamitische scholen, programma's in migrantentalen), de erkenning van groepsidentiteiten (inspraakorganen) en het stimuleren van zelforganisatie is het nergens in West-Europa beter geregeld.

Duitsland en Frankrijk kennen bij voorbeeld geen door de overheid gefinancierde islamitische scholen, Engeland slechts vier. Nederland echter telde vorig jaar 37 door de staat gesubsidieerde moslimscholen. Zwitserland, Frankrijk en Duitsland – waar meer nadruk ligt op aanpassing aan de nationale cultuur – voeren een restrictiever beleid. Het besluit van de Franse president van deze week om religieuze uiterlijkheden op scholen voortaan te verbieden (keppels, hoofddoekjes) wijst op het aantrekken van de teugels.

Koopmans: ,,Toch heeft de liberale politiek van Nederland niet tot betere resultaten op het gebied van integratie geleid''. Hetzelfde geldt voor Zweden dat een soortgelijke politiek voert.

Koopmans heeft vooral gekeken naar de arbeidsmarkt, scholing, wonen en criminaliteit. Zo is het verschil in participatie op de arbeidsmarkt tussen migranten en Nederlanders groter dan in een aantal andere landen. Alleen België en Zweden doen het slechter. Dankzij de economische groei stijgt de participatie van niet-EU-buitenlanders in Nederland (33,7 procent in 1999, 50 procent in 2001). ,,We gaan de goede kant op'', zegt Koopmans. Dat laat onverlet dat Duitsland, Engeland en Zwitserland het systematisch beter doen.

In het onderwijs keek Koopmans vooral naar de mate waarin jongeren het schoolsysteem verlaten zonder diploma. Vergeleken met Duitsland en Frankrijk staat Nederland er slechter voor dan deze landen. In 1994 verliet 39 procent van de Marokkaanse en 35 procent van de Turkse scholieren de school zonder diploma, tegenover 8 procent van de Nederlandse jongeren. Inmiddels is dit verschil niet meer zo groot. ,,Vergeleken met Duitsland heeft Nederland het verschil belangrijk ingelopen'', zegt Koopmans. Toch verlaat nog altijd 20 procent van de jonge Turken, Marokkanen, Surinamers en Antillianen het onderwijs zonder diploma.

Wat segregatie in steden betreft is de situatie in Nederland beduidend anders dan in Duitsland of Oostenrijk. In Nederland is de segregatie twee keer zo hoog als in Duitsland, zegt Koopmans. In steden als Frankfurt en Keulen wonen migranten en Duitsers meer door elkaar dan in Rotterdam en Den Haag. Wenen en Amsterdam kennen dezelfde mate van segregatie.

Wat criminaliteit betreft is de oververtegenwoordiging van migranten in Nederland ,,extreem hoog''. Liefst 53 procent van de Nederlandse gevangenisbevolking was in 2002 buiten Nederland geboren, zes maal zoveel als het aandeel van die groep in de totale bevolking. ,,Die oververtegenwoordiging is in Nederland veel sterker dan in de overige West-Europese landen.''

Koopmans schrijft de slechtere prestaties van migranten in Nederland toe aan onvoldoende taalbeheersing, discriminatie en het gebrek aan sociale contacten tussen migranten en Nederlanders als gevolg van de segregatie van scholen en huisvesting.

Als Nederland de participatie van migranten wil verbeteren, dan zal volgens hem een aantal taboes moeten worden doorbroken. Hij stelt voor werkloze migranten die gebrekkig Nederlands spreken, te verplichten een taalcursus te volgen op straffe van korting op de uitkering. Daarnaast moet de segregatiepolitiek serieus worden aangepakt. De nu ongelimiteerde vrijheid van het bijzonder onderwijs dient te worden ingeperkt, meent Koopmans – net als de Amsterdamse wethouder Rob Oudkerk. Tweederde van de Nederlandse scholen bestaat uit bijzondere scholen, in Duitsland slechts tien procent. Ook zouden ouders verplicht moeten worden hun kind in de wijk naar school te sturen. Koopmans: ,,In Berlijn werkt dat uitstekend''.

Het is de hoogste tijd dat Nederland erkent dat het hoge niveau van segregatie integratie van migranten tegenwerkt, meent Koopmans: ,,Je kunt zwarte scholen nog zoveel geld geven, dat kan niet compenseren dat migranten de taal veel sneller oppikken als kinderen met elkaar spelen en ouders met elkaar in contact komen.''

Het multiculturele beleid waarin allochtonen zoveel mogelijk in hun waarde werden gelaten, met financiële ondersteuning voor onderwijs in eigen taal en al, was misschien goed bedoeld, maar bracht ook grote nadelen met zich mee. Koopmans: ,,Migranten en Nederlanders zijn vreemden voor elkaar gebleven. Het beleid was niet op ontmoeting gericht, op vermenging. Als de parlementaire commissie dapper is, doet ze voorstellen die hier een eind aan te maken''.

    • Michèle de Waard