Het onkruid bloeit

Volgens de ene criticus is de kunstenaar een edele diersoort, een ander vindt hem een ziekgeknuffeld mormel. Pam Emmerik, zelf kunstenaar, is die wijzende vingertjes meer dan zat.

Hallo, ik ben een kunstenaar. Volgens Anna Tilroe (Cultureel Supplement, 7 november) ben ik een edele diersoort, volgens Rutger Pontzen (Volkskrant 20 november) ben ik een laffe gedegenereerde reservaatbewoner. Beiden zetten een hoog hek om me heen. Anna Tilroe plaatst het hek daar voor mijn bestwil, legt ze uit in haar artikel, om me te beschermen tegen de verlokkingen van de commercie. Ze is bang dat ik anders afgeschoten word, verdrink of uitglij. Volgens haar ben ik ongewild een bedreiging voor anderen. Want ik ben de spiegel der mensheid en in die rol onverbiddelijk. Als u lelijk bent, ben ik het ook. Uw harige wratten zijn mijn harige wratten. Uw kwijl loopt in mijn mond. Ik roep voortdurend op tot reflectie en discussie en echt niet alleen in het café tegen sluitingstijd. Ik ben tijdloos en ontzettend nodig. Ik pel uw hart af als een ui.

Om die reden wil Anna me beschermen en dat is lief van haar. Ik denk dat ze een goed mens is. Maar wat heb ik daar aan als ik achter tralies moet zitten en het vel van mijn poten vreet van de zenuwen?

Ook volgens Rutger Pontzen, in een reactie op het stuk van Anna Tilroe, leef ik in een kunstreservaat. Hij vindt me een ziekgeknuffeld mormel dat aan zelfoverschatting lijdt. Hij hoopt dat ik over het hek van het reservaat heen zal springen en de boze buitenwereld in zal trekken, dat zal me mores leren. Pontzen vindt bovenal dat ik bij de tv zou moeten gaan werken. Hij noemt tv ,,een slapende reus die wat betreft inhoud, ideologie, productie en distributie'' perfect aansluit bij mijn werk als (video)kunstenaar. En hij wil dat ik, dapper als David, de reus wakker schudt. Ook vindt hij dat ik geen centje bang hoef te zijn voor de commercie. Als argument daarvoor voert hij aan dat een schilder als Lucas Cranach de Oudere in de zestiende eeuw ook commercieel werkte: ,,Zijn atelier was een onderneming, waar schilderijen op bestelling werden geleverd. Van een museum had nog niemand gehoord. En toch werd zijn werk destijds bijzonder gewaardeerd.''

Tegelijkertijd deelt Pontzen een onlogische sneer uit naar Anna Tilroe, hij noemt haar opvatting dat kunst kritisch, vrij en `hoog' moet zijn een tijdgebonden, negentiende-eeuwse romantische opvatting, die niet meer zou passen bij onze huidige tijd. Zou de zestiende-eeuwse definitie van kunst misschien niet evenzeer tijdsgebonden zijn en daardoor nog minder toepasbaar op de eenentwintigste eeuw? De kerk was in vroegere tijden bijvoorbeeld de grootste opdrachtgever van kunstenaars en het valt niet te verwachten dat ze die positie zal hernemen, hooguit neemt de moskee die plek in. Daarom komt Pontzen waarschijnlijk ook met de tv als verlosser aanzetten, als de hedendaagse kerk van Christus zonder Christus.

Dat de kunst in de vrije, ongebonden vorm zoals wij die kennen, zeg maar l'art pour l'art, zo'n honderdzestig jaar bestaat, is overigens een bewering die je bloedjevaak tegenkomt in het debat over moderne kunst. En altijd weer wordt dat heuglijke feit tégen de moderne kunst gebruikt, gesuggereerd dat daarmee haar bestaansrecht ook meteen op losse schroeven staat. Alsof honderdzestig jaar onafgebroken bestaan niet een bijzonder lange tijd is. Algemeen vrouwenstemrecht in Nederland bestaat korter en de democratie in Spanje ook, maar dat is toch geen coherente reden om ze opzij te schuiven?

Pontzen vindt kunstenaars die niet voor de tv (of de krant, of een reclamebureau) willen gaan werken lui en gemakzuchtig. Hij vergelijkt de kunstwereld met `een warm bad' waar `de rek behoorlijk uit is'. Daar bedoelt hij dan zeker een opblaasbadje voor kleuters mee. Dat de associatie met speelgoed bij me opkomt, is niet zo vreemd als het lijkt. De kunstwereld wordt wel vaker voorgesteld als een kinderspeelplaats. Een veilige haven, noemt ook Rutger Pontzen de kunstwereld geringschattend, waar kunstenaars zich in verschuilen omdat ze niet tegen de weerstand van de echte wereld opgewassen zouden zijn.

Deze riedel heb ik al zo vaak gehoord en het is zo'n ontzettend gelul dat ik er langzamerhand goed ziek van ben. Kunstenaars leven helemaal niet in een veilig reservaat. Ze zijn kleine zelfstandige ondernemers die elkaar met haaientanden moeten beconcurreren om opdrachten en tentoonstellingen te krijgen. De meeste kunstenaars maken enorm lange werkweken onder omstandigheden die door geen enkele Arbo-keuring heen zouden komen en doen dat maar zeer zelden voor verdiensten die boven het wettige minimumloon uitkomen. Als ze geen bijbaan of nevenfuncties hebben, kennen veel kunstenaars nauwelijks financiële continuïteit, om van een pensioenregeling nog maar te zwijgen. Hun werk van maanden, jaren wordt in krantenrecensies die in een dagje in elkaar gedraaid zijn, te vaak hautain naar de vuilnishoop verwezen door mensen wier hooghartigheid een dekmantel is voor een gebrek aan inzicht en liefde voor kunst. Fuck toch op Pontzen, met je vaste aanstelling, je dertiende maand en je kerstpakket, en met jou iedereen die kunstenaars steeds maar weer meent te moeten aanspreken alsof we stom, werkonwillig tuig zijn. Ik ben die wijzende vingertjes meer dan zat. De kunstwereld is geen reservaat, geen getto, geen plek buiten de werkelijkheid. ,,Iedereen is van de wereld en de wereld is van iedereen'', zong Thé Lau al. Omdat kunst een weerspiegeling laat zien van de wereld is ze zelf nog geen fata morgana.

Kunstcritici weten altijd zo goed wat kunstenaars moeten doen. Dat de een vindt dat kunstenaars zich ver van de commercie zouden moeten houden om het verheven symbool dat kunst zou zijn niet te laten uithollen, terwijl de ander meent dat kunstenaars het echte leven in moeten hollen, zijn nog maar twee voorbeelden uit mijn kerstpakket van dit jaar.

Soms verdenk ik critici ervan dat ze veel liever hadden gezien dat kunst zonder kunstenaars gemaakt kon worden, eigenlijk staan die alleen maar in de weg, de lastpakken.

Maar ik heb heet nieuws voor alle mensen die kunstenaars de wet menen te moeten voorschrijven: kunstenaars moeten helemaal niets. Niets dan kunst maken, op de manier die hun goeddunkt, commercieel of niet. Dat vind ik niet omdat ik geperverteerd word door een romantisch negentiende-eeuws ideaal dat kunstenaars als vrijgestelden in de maatschappij ziet, maar omdat het de praktijk is, de praktijk van elke kunstenaar en daarmee de realiteit van de kunst.

De realiteit van de kunst is dat er momenteel kunstenaars zijn die marktgericht denken en kunstenaars die dat verrekken. Dat er kunstenaars zijn die niets liever willen dan hun werk op tv vertonen en anderen die zich daar verre van houden. Er zijn kunstenaars die de wereld rondreizen en kunstenaars die zich jarenlang terugtrekken in hun atelier. Er worden figuratieve schilderijen en beelden gemaakt en ook nog steeds abstracte, installaties gebouwd, video's en films en foto's geschoten, er is sociale kunst en asociale, stoffelijke en onstoffelijke, er zijn kunstenaars die schoonheid centraal stellen en anderen die daarop spugen. En al die opvattingen bestaan gewoon naast elkaar. Het is een wirwar van stemmen. De chaos heerst.

Wanneer Anna Tilroe zegt groot onheil te verwachten omdat kunst verworden is tot cultuurindustrie, met kunstenaars als ondernemers en een museum dat geen tempel meer is maar een gesponsord bedrijf, dan zegt dat meer over haar absolute verlangen naar zuiverheid dat zij op de kunst en de kunstenaars projecteert, dan over de werkelijkheid. Kunstenaars moeten blijkbaar, net als joden, net als Jezus, een beter soort mensen zijn dan anderen. Wij moeten lijden voor onze medemens, voor u. Ons lichaam is uw brood, ons bloed is uw wijn, onze uitwerpselen zijn uw pindakaas en nog bent u niet erg dankbaar, maar dat geeft niet want wij offeren ons graag op voor de Kunst met de grote K. Ja hoor, dikke lul drie bier. En sponsoring heeft de kwaliteit van de meeste musea in Amerika ook geen kwaad gedaan.

Wat mij betreft gaat het mis wanneer één opvatting tot religie verheven wordt en alle andere uitgesloten worden. Zowel Pontzen als Tilroe heeft natuurlijk niet in alles wat ze schrijven ongelijk. Maar ze zijn ze te dogmatisch en doen daarmee geen recht aan de – verwarrende – diversiteit van de kunstpraktijk. En waarom toch menen critici zich altijd te moeten opstellen als onheilsprofeten? Apocalyptici zijn het. Altijd met rampspoed schermen is een stijlfout. Demagogie. De kunst vergaat heus niet, het is net onkruid. Je kunt er napalm op gooien en het komt gewoon weer op.

Vannacht droomde ik dat ik in Parijs was. De stad bestond alleen nog op de linkeroever, de rechteroever was veranderd in een schitterend aangelegd landschapspark. Samen met Anna Tilroe zat ik op een bankje het resultaat te bewonderen. Daarop vroeg ze me waarom ik zo pissig had geschreven over haar opvattingen. Toen schaamde ik me wel even, maar nadat ik wakker geworden was, niet meer.

Ik houd van kunst. Kunst biedt een kader waarbinnen elke gedachte, ieder gevoel dat je dreigt te verstikken een verrassende vorm kan aannemen buiten jezelf. En soms houdt kunst ook hartstikke veel van mij. ,,Vergeleken met de hartstocht van de kunst zijn liefdesgeschiedenissen tussen mensen soms studies in ijs'', schreef Richard Brautigan. Ik zeg: laat het onkruid duizendvoudig bloeien. Opdat wij niet als wandelende koelkasten door het leven hoeven te gaan.

Onze uitwerpselen

zijn uw pindakaas

en nog bent u niet dankbaar

Je kunt op de kunst

napalm gooien

en het komt gewoon weer op

    • Pam Emmerik