Het levenslange pad naar de stilte

China is flink tekeer gegaan in Tibet. Het is alweer bijna vergeten. Bij demonstraties tegen de Chinese bezetting werden in 1959 alleen in Centraal-Tibet meer dan 87.000 Tibetanen vermoord. Zesduizend kloosters en tempels gingen tegen de vlakte. Eeuwenoude kunst en geschriften verdwenen. Om te overleven weken monniken en masse uit naar India. In China waren de boeddhisten evenmin hun leven zeker. Rode gardisten zetten hen in het openbaar voor schut, met borden om hun nek vol scheldkannonades. Het boek van de Chinese foto-verslaggever Li Zhensheng (Boeken, 3-10-03) toont die vernederingen.

Onlangs is Magnum-fotograaf Steve McCurry (1950) naar Tibet gereisd. Met als resultaat The Path to Buddha; honderd feërieke kleuropnamen. Eerder, voordat sovjettroepen eind 1979 in Afghanistan het communisme kwamen prediken, trok hij langs de Afghaanse grens met Pakistan. In Tibet heeft hij sferen en vooral mensen vastgelegd. Op heuvelruggen wapperen als gesneuvelde vliegers duizenden flarden textiel, gebedsvlaggen om geluk en voorspoed af te smeken. Even buiten de hoofdstad Lhasa rijzen torenhoge ruïnes op van een klooster dat niet klein te krijgen was. Recente pleidooien voor onafhankelijkheid van de Dalai Lama bij president Bush en het Europees Parlement waren vergeefs. Talloze Chinezen hebben nu bezit genomen van de Tibetaanse grensgebieden. De zes miljoen Tibetanen zijn al in de minderheid.

Behalve de Dalai Lama lacht er niemand in McCurry's boek. Alle geportretteerden durven ernstig, kwetsbaar en nog steeds onbevangen te zijn. En dat is iets anders dan de gekunstelde neutraliteit, waarmee de westerse portretfotografie is doordesemd. Tibetaanse vrouwen gaan naar eigen goeddunken gekleed. Elk stofje laat zich wel met een ander stofje combineren. Een borduursel of een knot wol leent zich best voor een hoed. Ze dragen bloemen, ritsen kralen van barnsteen en turkoois, met hier en daar een parel. Portretten die blijk geven van een natuurlijke waardigheid, die de Chinese overheid als `primitief' bestempelt.

Iemand die er onlangs rondreisde vertelde dat langs de `Himalaya trail' – de populaire vacantiebestemming rond het plateau van Tibet – al pizzeria's zijn neergestreken. McDonald's zal er ook wel verrijzen en de Marlboro-cowboy niet te vergeten. In McCurry's boek ontbreekt dat westerse consumptievertoon. Monniken, gehuld in rode-wijntinten, mediteren in een woud van kaarslichtjes en ze debatteren met Tai chi-gebaren. Hun leerlingen concentreren zich tijdens hun studie door een soort lampekap op hun hoofd te dragen.

McCurry trok verder dan Lhasa, hij kwam thuis in de tent-huishoudens van nomaden. En hij volgde de bont geklede pelgrims, die keer op keer nederig languit op hun buik gaan liggen. Een oefening die sommigen honderdduizend keer tijdens hun leven verrichten. Ergens op straat houdt een dokter spreekuur, met boven zijn hoofd het raadselachtige, calligrafische banier `verbeter de kwaliteit van nationaliteiten'. En aan de voet van het machtige, 17de-eeuwse Potala paleis, eens het bestuurlijk en religieus centrum van Tibet, staat iemand helemaal alleen in de blanke ochtendzon, de handen samen, iets te prevelen waarvan we hier geen benul hebben.

Je wordt stiller bij het bekijken van The Path to Buddha. Dat was ook McCurry's bedoeling, vertelt de inleiding die deze samenleving iets te veel ophemelt. Tibetanen leren dat ook, stil worden. Men voedt zichzelf met studie en meditatie, en moet dan verder alleen het pad afleggen – van compassie naar verlichting. Die compassie wist McCurry precies gedoseerd aan zijn foto's mee te geven.

Steve McCurry: The Path to Buddha. A Tibetan Pilgrimage. Phaidon, 141 blz., geïll. euro 45,–