Een imperium tegen wil en zonder dank

Wat moet Amerika aan met Irak? Juist de regering die wars was van internationale interventies, staat nu voor de taak naties op te bouwen. Twee boeken over de dillemma's van het Amerikaanse wereldrijk.

Tijdens de eerste Golfoorlog, twaalf jaar geleden, werd er al gewaarschuwd voor de problemen van een invasie in Irak: `Als je Bagdad eenmaal hebt, is het niet duidelijk wat je ermee doet. Het is niet duidelijk wat voor soort regering je zou installeren in plaats van de huidige. Moet dat een shi'ietisch, een soennitisch of een koerdisch regime worden.' Aan het woord was geen criticus van de Amerikaanse regering, maar Dick Cheney, toen minister van Defensie, nu vice-president.

Geleid door zulke overwegingen begon Bush junior zijn presidentschap met de belofte zich vooral niet te laten meeslepen in langdurige interventies buiten de grenzen. Zijn weerzin vatte hij samen in één woord: geen nation-building, geen natievorming elders in de wereld. Dat wil zeggen: Amerika moest niet verstrikt raken in de kostbare en riskante onderneming om staten die ineen waren gestort met militaire middelen te pacificeren en weer van de grond af te helpen opbouwen.

Toen kwam de elfde september en de ironie wil dat geen president de laatste decennia zo diepgaand met het probleem van nation-building is geconfronteerd als uitgerekend Bush. Na de succesvolle oorlogen tegen de Talibaan in Afghanistan en tegen Saddam Hussein in Irak staat Amerika voor de immense taak van de wederopbouw. Dat vergt tijd en offers, precies waar Bush en de zijnen helemaal niets voor voelden toen ze het Witte Huis betraden.

Zo bezien zijn de oorlogen in Afghanisatn en Irak allerminst het uitvloeisel van een lang gekoesterde wens en is Amerika een imperium tegen wil en dank. Die visie wordt met verve verdedigd door de Canadese journalist en schrijver Michael Ignatieff in zijn meest essay Empire Lite (vertaald als Afgedwongen vrijheid). Hij karakteriseert Amerika als een nieuw soort imperium: `Het is een licht imperium, een hegemonie zonder koloniën, een mondiale invloedssfeer zonder de last van dagelijks bestuur en de risico's van dagelijks toezicht.' De Amerikanen realiseren zich niet echt dat ze die imperiale rol vervullen, zozeer zijn ze in de ban van een zelfbeeld dat is ontleend aan de geschiedenis waarin Amerika is ontstaan uit een opstand tegen het Britse imperium.

Ignatieff wil benadrukken dat die ordenende en interveniërende rol van Amerika onontkoombaar is: `Wereldrijken genieten niemands voorkeur, maar er zijn problemen die alleen een wereldrijk kan oplossen' (imperial solutions heet dat wat krachtiger in het orgineel). Die problemen zijn enerzijds staten die uiteenvallen en een directe of indirecte bedreiging vormen voor de veiligheid en anderzijds sterke, dictatoriale regimes die weliswaar stabiel zijn maar de mensenrechten op grote schaal schenden en agressieve bedoelingen hebben tegenover hun omgeving. Afghanistan en Irak zijn daarvan de voorbeelden.

Moraal

Hoewel Ignatieff de problemen van zo'n `humanitair imperialisme' maar al te goed ziet, gezien de natuurlijke spanning tussen moraal en macht, acht hij de oorlogen in Afghanistan en Irak, maar ook de interventies in Bosnië en Kosovo zeer goed te verdedigen. Hulporganisaties als de UNHCR of het Rode Kruis zijn `handlangers tegen wil en dank van het imperiale project', want ook zij weten volgens Ignatieff dat het `de Amerikaanse luchtmacht was die eerst in Bosnië, daarna in Kosovo en tenslotte in Afghanistan vrede en humanitaire wederopbouw mogelijk maakte'.

Ignatieff legt in het vervolg van zijn essay veel nadruk op de problemen van de materiële en vooral mentale wederopbouw in landen als Bosnië en Afghanistan. Op een fraaie manier schildert hij de problemen van verzoening in het tussen Kroaten en moslims verscheurde Mostar. Hij vertelt het verhaal van de pogingen om de eeuwenoude brug te restaureren, die bewust door de Kroaten aan stukken werd geschoten. Dat is Ignatieff op zijn best: hij stelt in zijn reportages op een verhalende toon grote maatschappelijke vragen aan de orde.

In de conclusie van Empire Lite klinkt twijfel door. Hebben de democratieën, Amerika voorop, wel voldoende wil om hun interventies vol te houden. Dit is `een imperialisme dat haast heeft', niet wil blijven, maar juist weg wil. Het risico is levensgroot dat het `democratische imperialisme eindigt in de halfslachtigheid die ook al in het begrip zelf opgesloten ligt'. Het `zorgt er niet voor dat het stabiliteit en veiligheid kan garanderen op de langere termijn en het schept evenmin de condities om het gezag over te dragen aan plaatselijke leiders'.

De tegenstrijdigheid van interventies verwondert de Amerikaanse socioloog Benjamin Barber geenszins. Hij oefent in zijn politiek-filosofische Fears Empire (vertaald als Het rijk van de angst) scherpe kritiek uit op de hoogmoedige poging om van buitenaf democratie op te leggen. Ook twijfelt hij ernstig aan de humanitaire rechtvaardiging van zulke oorlogen, vooral die tegen Irak. Amerika moet in zijn visie veel terughoudender zijn en de geschiedenis benaderen met `de twijfel die bij de democratie past en met oog voor de onbedoelde gevolgen' van het gebruik van geweld.

Barber, die bekendheid verwierf met zijn boek Jihad versus McWorld (een schets van de economische en culturele dominantie van Amerika en de reactie daarop in andere delen van de wereld) maakt veel werk van het analyseren van de toespraken van Bush. Fraaie uitspraken komen we tegen: `At some point we may be the only ones left. That's okay with me. We are America.' Daarin ziet Barber een vermoeden van onschuld: Amerika is in menig opzicht een imperium, maar één dat leeft in een voortdurende zelfontkenning.

Hellend vlak

Barber is geen duif, want hij pleit onomwonden voor militair optreden, ook preventief, tegen terroristische groeperingen. Maar zijn terechte vraag is of er niet een hellend vlak wordt betreden met de doctrine dat ook militair moet worden ingegrepen tegen landen die onderdak bieden of anderszins steun geven aan zulke groeperingen. Helpt de vernietiging van de Talibaan in het bestrijden van Al-Qaida. Volgens Barber toont het voortduren van de aanslagen aan dat terroristische groeperingen parasitair zijn : ze gebruiken een staat, maar zijn er niet van afhankelijk.

Barber laat goed zien hoe groot het risico is dat we de gevangene worden van de angst die door het terrorisme wordt opgeroepen. `De vraag is of een terrorist effectiever angst had kunnen verspreiden dan de Amerikaanse overheid het laatste jaar heeft gedaan door plichtsgetrouw willekeurige bedreigingen tegen niet nader gespecificeerde doelen door te geven en het publiek te waarschuwen dat er vrijwel zeker meer aanslagen zullen volgen.' Het werkelijke gevaar van terrorisme is een collectieve angst die de open samenleving ondermijnt.

Tegenover de doctrine van preventieve oorlog stelt hij zijn opvatting van `preventieve democratie'. Waar Ignatieff met andere woorden de samenhang van militaire pacificatie en de opbouw van democratie centraal stelt, plaatst Barber beide vooral tegenover elkaar. We moeten kiezen: `of we overweldigen de negatieve wederzijdse afhankelijkheid die door het terrorisme wordt opgelegd met kracht of we bewerkstelligen een positieve wederzijdse afhankelijkheid door de wereld te democratiseren.'

Barber zegt echter te weinig over de manier waarop het internationale recht kan worden gegarandeerd. Hij ziet de tegenstrijdigheid van een `democratisch imperialisme', maar hoe Amerika daaraan kan ontkomen is minder duidelijk. Hij wil dat het gebruik van macht wordt geleid door recht, maar wat te doen als er geen internationale overeenstemming mogelijk is voor de toepassing van geweld, zoals in Kosovo en meer nog in Irak? Barber gaat bijvoorbeeld nergens in op de voorgeschiedenis van de oorlog tegen Irak in de Verenigde Naties.

Barber pleit voor geduld, dat hij de `belangrijkste deugd van de democratie' noemt. Maar oog in oog met massieve schending van mensenrechten is afwachten uiteindelijk een perverse keuze. Daarom heeft de oorlog in Irak veel van de traditionele scheidslijnen in de politiek doorkruist. Er zijn immers genoeg denkers en politici van links-liberale huize die de oorlog wel steunden, ook al weten ze met Ignatieff `dat de ethiek van het moderne imperium alleen maar hypocriet kan zijn, want zeer selectief in zijn toepassing.

Met alle aarzelingen laten ze de balans doorslaan naar steun voor de oorlog, omdat ze menen dat de wereld mét Saddam Hussein er niet humaner en ook niet veiliger op zou zijn. Dat eerste is zeker, het laatste is onzekerder: de internationale veiligheid kan afnemen door de gevolgen van de oorlog. Maar die ongewisheid hoort bij elk gebruik van grootschalig geweld en moet worden afgewogen tegen de risico's van non-interventie. Voorlopig zit Amerika in Bagdad en worstelt met de vragen die Cheney al probeerde te vermijden: `Als je Bagdad eenmaal hebt, is het niet duidelijk wat je ermee doet.'

Benjamin Barber: Het rijk van de angst. Ambo/Anthos, 256 blz. euro 17,90

Michael Ignatieff: Afgedwongen vrijheid. Cossee, 141 blz. euro 14,90