Een huistiran met een hart

Toen The White Family vorig jaar in Engeland uitkwam is het in de seizoensdrukte onbesproken gelaten. Nu er een Nederlandse vertaling is verschenen moet die omissie worden goedgemaakt. Het is een aanbevelenswaardige roman in de nauwkeurige praktische zin dat hij voorlopig als eerste in gedachten komt wanneer iemand vraagt wat-moet-ik nu-eens-voor-nieuws-lezen. Maggie Gee vertelt over een vijfkoppige familie in een Londense buitenwijk met zoveel aandacht en inzicht dat haar lezer er een beter mens van wordt: beter van begrip voor wat er in de medemens omgaat. Wat de vertaling betreft, die maakt een onvertaald Nederlands geluid.

Het gezinshoofd (zoals dat vroeger heette) is een bejaarde parkwachter die instort na een ruzie over lopen op het gras. Hij wordt in het ziekenhuis opgenomen, want hij was er al slecht aan toe. Rondom zijn ziekte als emotioneel middelpunt worden de ervaringen verteld van de familieleden en hun aanhang, ieder om beurten in korte hoofdstukken. Hijzelf heeft een regelmatig leven geleid als huistiran die het meestal niet kwaad meende, en als toegewijde ambtenaar met hart voor zijn park. Zijn vrouw May heeft zijn uitbarstingen leren verdragen en geleefd voor huis en gezin; zij is steeds een eenzame lezeres geweest en neemt haar gedichten van Tennyson mee naar het ziekenhuis:

O love, we two shall go no longer

To lands of summer across the sea

Hun drie kinderen komen op bezoek: twee zoons van wie de oudste geslaagd is als journalist en de jongste, een nakomertje genaamd Dirk naar de acteur Bogarde, niets goed kan en wrokt tegen de wereld die hem tekort doet. Tussen hen in is er Shirley, blond en begeerlijk en geparfumeerd, getrouwd geweest met een Afrikaan en nu samenwonend met een Westindiër.

De twee zwarte schoonzoons vertegenwoordigen een tweede thema, naast de ziekte van Alfred. Het werd al aangekondigd door de ruzie in het park, ook met een zwarte vrouw; het zwarte bevolkingsdeel in de Londense buitenwijk, steeds op de achtergrond aanwezig, wordt op den duur steeds meer in de handeling betrokken. Menige lezer zal met argusogen toezien, niet of er racisme gaat spelen, wat haast niet kan bij een fatsoenlijke uitgever; wel of de auteur met positieve discriminatie de beoordeling van de personen kunstmatig gaat kleuren.

Soms lijkt het die kant op te gaan, zoals wanneer de oude May op weg naar het postkantoor pijnlijk valt op de natte stoeptegels. Als zij daar ligt komt iemand aanhollen en buigt er een zwart gezicht over haar heen; help! roept zij en denkt dat haar eind gekomen is; het blijkt een heel lieve jonge man te zijn die het geld opraapt dat uit haar tas is gevallen en toeziet of zij wel verder kan.

Te mooi? Nee, plausibel verteld en structureel doordacht: de jongen is Winston die later een hoofdrol zal vervullen. Geen aanklacht wegens positieve discriminatie dus; en als wij de roman ook op het sleutelbegrip integratie willen toetsen biedt zich de bloedwarme geschiedenis aan van een wilde nacht van de dochter Shirley. Zij brengt een eenmalige avond bevredigend in bed door met een blanke bibliothecaris; later die nacht komt haar vriend Elroy thuis en dan gaat het er net zo bevredigend aan toe; negen maanden later krijgt zij een tweeling, de een veel donkerder dan de ander. De bedscènes onderscheiden zich, zelfs in deze tijd waarin wij ermee doodgegooid worden, als emotioneel en vlezig en vertrouwelijk; en de komedie van de tweekleurige tweeling die eruit volgt rondt Shirley verheugend af.

Maggie Gee kan eigenlijk geen kwaad doen, ook niet met Dirk de rancuneuze en beklagenswaardige jongen die wel degelijk racist is en een moord zonder aanleiding pleegt op een zwarte man. Diens begrafenis valt samen met die van Alfred, doodgegaan in het park waar hij nog een keer uit het ziekenhuis heengesloft was. Wat een compositie!

Volmaakt is die compositie toch niet, want de geboorte van de tweeling acht maanden na de begrafenis die de roman besluit, is ertussen gemoffeld aan het begin van het laatste hoofdstuk. Daarna kan de slotzin verwijzen naar het `sprankje leven' dat in Shirley begint te groeien. En had dat dan met de babies, als coda aan het eind gezet, niet net zo goed gekund? Wie zal het zeggen. Daar staan ze niet; en voor de ervaringen van al de personen waar de lezer in deelt zou het geen verschil gemaakt hebben, die blijven van kracht in de herinnering.

Maggie Gee: Een gewoon gezin. Vertaald door Marianne Gaasbeek. De Geus, 383 blz. euro 23,90