De onschuld van het kapitaal

Niet alleen het kapitalisme maakte de afgelopen jaren een crisis door, ook het anti-kapitalisme verliest vaart. Economische cycli volgen elkaar steeds sneller op. Tijd voor een nieuwe analyse. Drie boeken zoeken naar het juiste perspectief voor de globalisering.

Het is nu al moeilijk voorstelbaar, maar nog maar vier jaar geleden zag de wereld er als volgt uit: de westerse economieën groeiden met tussen de drie en vier procent per jaar, de beurskoersen gingen door het dak. Werkloosheid werd als economische vijand nummer één vervangen door een tekort aan arbeidskrachten. Leiders van grote ondernemingen waren superhelden, die ongestoord steenrijk mochten worden. Want iederéén kon steenrijk worden.

In de Verenigde Staten, en in Europa onder meer in Nederland, was er een debat over wat in godsnaam te doen met het nakende begrotingsoverschot van de overheid. De `conjunctuur' werd met snel afnemende aarzeling beschouwd als een fenomeen dat misschien wel voorgoed verdwenen was. Tegelijk haalde de snel groeiende protestbeweging van antiglobalisten in december 1999 zijn grootste overwinning tot dusverre. In een veldslag in de Amerikaanse stad Seattle werd een vergadering van de Wereldhandelsorganisatie WTO zodanig verstoord dat een nieuwe ronde van handelsbesprekingen aan de grond liep. Het bleek het startschot voor een serie steeds massaler en gewelddadiger straatprotesten tegen de economische globalisering en haar fora: het IMF, de Wereldbank, de WTO en de G7. Praag, Genua, Washington.

Vier jaar, en een beurskrach, recessie, terreuraanslag en oorlog later, is iedereen nog steeds een beetje in de war. De wereld staat op zijn kop. De economische groei is na een venijnige recessie net teruggekeerd in de Verenigde Staten en nog goeddeels afwezig in Europa. De Amsterdamse beurs staat nog niet onder de helft van zijn piek van destijds. Werkloosheid wordt weer als een serieuze bedreiging gezien en groei van de werkgelegenheid is topprioriteit voor de herverkiezing van Bush volgend jaar. Bestuurders van grote ondernemingen zijn na een reeks boekhoudschandelen uit de gratie. Hun inkomens worden samengevat als `graaicultuur' en worden hun misgund. Want de burger heeft zelf geld verloren. Te laat ingestapt in een beurs die enkel maar kon dalen, en vaak nog met geleend geld ook. En de antiglobalisten? Een tegenbeweging gedijt bij weerstand van de gevestigde orde. Maar wat te doen als het veronderstelde westerse kapitalistische eenheidsfront zelf verdeeld uiteenvalt over Irak, en vervolgens binnen de WTO in Cancún de wereldhandelsronde door de deelnemers eigenhandig wordt opblazen?

Het relaas van de afgelopen vier jaar en de vraag hoe het zo ver heeft kunnen komen, heeft geresulteerd in een stroom van boeken. De `aan mij heeft het niet gelegen'-categorie wordt ingevuld door de voormalige Amerikaanse minster van Financiën Robert Rubin, die dit jaar in zijn In an Uncertain World verslag deed van zijn jaren in de Clinton-regering. De `had ik het niet gezegd? - categorie valt toe aan de Amerikaanse econoom Paul Krugman, die dit jaar kwam met een compilatie van de columns die hij schreef voor The New York Times. Krugman, vooral populair bij niet-economen om zijn toegankelijke stijl en kritische houding, was er inderdaad vroeg bij met zijn kritiek op de houdbaarheid van economische wonder van de jaren negentig. Wat echter ontbreekt zijn de columns die hij schreef tijdens de Azië-crisis en Russische crisis in 1997 en 1998. Want wie voorspelde toen een Grote Depressie als gevolg van de gebeurtenissen? Het is Krugman sindsdien snel vergeven dat hij de plank toen missloeg, maar het maakt zijn kritische houding ook wel wat gratuit. Krugmans The Great Unraveling: From Boom to Bust in Three Scandalous Years biedt logischerwijs ook geen samenhangend kader. Dat moet de lezer zelf uit zijn columns zien op te vissen.

Het alternatief komt van Joseph Stiglitz, voormalig economisch adviseur in de regering-Clinton, daarna topeconoom van de Wereldbank en in 2001 winnaar van de Nobelprijs voor de Economie. Stiglitz, die in 2000 de Wereldbank verliet uit protest tegen het daar gevoerde onverdunde neoklassieke beleid (en vooral dat van zusterorganisatie het Internationale Monetaire Fonds) werd bij het grotere publiek vooral bekend door een vorig boek: Globalisation and Its Discontents (in het Nederlands vertaald als Perverse Globalisering).

Dat boek werd vorig jaar nogal gemengd ontvangen. In `alternatieve' kring behoort Stiglitz tot een van de helden. Een Nobelprijswinnende vertegenwoordiger van de macht, die zich tegen die macht zelf keert kan moeilijk stuk. Inhoudelijk werd Globalisation and Its Discontents vooral bekritiseerd om zijn rancuneuze kritiek, ongenuanceerde meningen en persoonlijke afrekeningen met de concurrenten van het IMF, onder wie met name de voormalige topeconoom van het IMF, Kenneth Rogoff.

Stiglitz heeft nu een boek geschreven dat ingaat op de crisis van vandaag en het zaad dat daarvoor gezaaid is in de jaren negentig: The Roaring Nineties. Seeds of Destruction. En ook dit boek is geen succes. Dat heeft enerzijds te maken met Stiglitz' nogal academische beschrijving van het onderwerp. Hij is er eens goed voor achter zijn bureau gaan zitten, en is kennelijk niet meer opgestaan tot het klaar was. Hoewel hij wel ingaat op zijn tijd in de regering-Clinton, wordt er nauwelijks of niet naar buiten gekeken. Waar Krugman altijd wel een voorval, anecdote of metafoor achter de hand heeft en in beelden kan schrijven, is de stijl van Stiglitz gortdroog.

Beiden hebben bovendien te maken met een netelige logica: als het zaad voor de beurskrach en recessie inderdaad gezaaid is in de jaren negentig, dan is dat dus gebeurd onder de regeringen-Clinton van eind 1992 tot eind 2000. Stiglitz draait zichzelf uiteindelijk in een dubbele apologie: ten eerste de al wat oudere klacht dat Clinton de rotzooi moest opruimen van de Reagan-jaren. En ten tweede een steeds pregnantere nadruk op wat er de laatste jaren allemaal is misgegaan onder de regering van George W. Bush. Dat kan flink wat zijn, maar daar zou Stiglitz' boek niet over gaan.

Hij komt er zelf ook niet zo goed uit. Vandaag, schrijft hij, `leven we in een vreemde wereld waarin de Republikeinen claimen dat begrotingstekorten er niet toe doen – zij zijn de Keynesianen van vandaag geworden – terwijl de Democraten over tekortreductie praten, zelfs in tijden van recessie!' Tja. Maar wie net heeft geschetst hoe de begroting in de jaren tachtig onder de Republikein Reagan spectaculair uit de hand liep, kan toch moeilijk claimen hiermee iets nieuws te hebben ontdekt.

Gelukkig, stelt Stiglitz, is het in Europa niet anders, `waar rechts het stabiliteitspact open wil breken, terwijl veel sociaal-democraten zich aan de begrotingslimiet houden'. Bedoelt hij dat de Duitse regering-Schröder, die het stabiliteitspact vorige maand aan de kant zette, rechts is? En de Spaanse regering-Aznar en de Nederlandse regering-Balkenende sociaal-democratisch? Het is niet de enige beoordelingsfout die Stiglitz maakt. The Roaring Nineties is daarmee geenszins het langverwachte standaardwerk waarin nu eindelijk eens goed wordt uitgelegd hoe het allemaal zo heeft kunnen komen. De verleiding van Bushbashing is te groot.

Dat is vooral spijtig voor Stiglitz' bewonderaars in de tegenbeweging, die juist een betere economische onderbouwing van haar wensen voor mondiale rechtvaardigheid goed kan gebruiken. want niet alleen het kapitalisme maakte de afgelopen jaren zijn periodieke crisis door, maar ook het antikapitalisme.

Voor elke revolutie geldt het principe van `mit, neben, gegen': samen ten strijde, naast elkaar op de barricaden, maar als de omwenteling een feit is, komen de tegenstellingen tussen de strijdmakkers boven. Dat gaat wellicht ook op voor de gestrande revolutie van de antiglobalisten. Zij konden zich lange tijd grote verschillen van mening permitteren, maar nu de beweging zichtbaar momentum verliest vallen de onderlinge verschillen steeds meer op.

George Monbiot, Brits hoogleraar, columnist van The Guardian en een van de nieuwe sterren aan het firmament van de tegenbeweging, kiest in The Age of Consent duidelijk stelling. De wereld internationaliseert in snel tempo, wat leidt tot een toenemende wanverdeling van welvaart én besluitvorming op internationaal niveau terwijl de democratie ophoudt bij de landsgrenzen. De keuze is in wezen simpel: er zou een tendens naar het lokale op gang kunnen komen, waarbij globalisering wordt ingeperkt en besluitvorming terugkeert naar de eigen gemeenschap. Als handel synoniem wordt gesteld met een onrechtvaardige verdeling van welvaart, dan is afkoppeling van die handel een voor de hand liggende consequentie van het streven naar een rechtvaardiger verdeling. Maar ja, verzucht Monbiot, `ik hoorde een keer een spreker eisen dat de meeste vormen van internationale handel worden gestaakt. Maar daarna, in het antwoord op een vraag uit het publiek, veroordeelde hij de internationale sancties tegen Irak. Als we vinden dat het verhinderen van handel met Irak of, voor het zelfde geld, Cuba leidt tot verarming of zelfs levensbedreiging van de mensen in dat land, dan moeten we ook accepteren dat het mondiaal staken van de handel hetzelfde effect zou hebben, maar dan op een grotere schaal.'

Ziehier de kloof tussen de antiglobalisten en de hoofdstroom van het politieke denken: dat het idee de handel af te schaffen serieus wordt bediscussieerd moet de gemiddelde topondernemer en politicus buitengewoon bevreemden. Alsof er een beweging op gang is gekomen met als doel de zwaartekracht af te schaffen of op zijn minst aan banden te leggen.

Toch staan de voorstanders van `localisering' volgens Monbiots lezing van het debat te boek als `realisten'. Hijzelf voelt zich aangetrokken tot het alternatief, dat in de standaardverdeling binnen de leer van de internationale betrekkingen moet worden gekenschetst als `idealistisch'. In The Age of Consent ontvouwt hij een plan om, in plaats van de besluitvorming weer terug te brengen naar het niveau waarop er sprake is van democratie, de democratie zelf te internationaliseren. Een wereldparlement, kortom, en zo noemt hij het ook. Internationale handel is daarbij goed, maar moet worden geregeld binnen een Fair Trade Organisation, terwijl optredende nationale tekorten en overschotten op de handels- (en betalings-) balans moeten worden gladgestreken door een International Clearing Union.

Is dat haalbaar? Monbiot toont zich een van de weinigen die kans hebben gezien de door Michel Houellebecq beloofde diepere filosofie te delven uit diens roman Elementaire Deeltjes. In de globalisering van vandaag ziet Monbiot niets minder dan een `metafysische mutatie', á la Houellebecq – een gebeurtenis die verstrekkende gevolgen heeft voor de manier waarop mensen denken, en die vergelijkbaar is met de vestiging van het christelijk geloof, of met de Verlichting. Dit is, naast geldingsdrang en de mogelijk lucratieve markt voor dit soort boeken, waarschijnlijk ook de enig mogelijke rechtvaardiging om de oproep tot een Wereldparlement, Fair Trade Organisation en International Clearing Union gepubliceerd te krijgen bij een serieuze uitgeverij.

Het antiglobalisme (of, tegenwoordig, anders-globalisme) is zo te zien zijn inhoudelijke crisis nog niet te boven. Geldt dat ook voor het kapitalisme zelf? Economische cycli zijn een bijverschijnsel van de ondernemingsgewijze productie. En naarmate de financiële handel zelf verder globaliseert, lijken internationale financiële crises al even onvermijdelijk. De lessen van de meest recente recessie en krach zijn de moeite waard geleerd te worden. Maar er zijn al betere boeken over geschreven, met name Robert Shillers Irrational Exuberance (2000). En van Paul Krugman mag verwacht worden dat hij na het bundelen van zijn columns, eens het echte standaardwerk over het roerige decennium dat achter ons ligt zou kunnen schrijven.

Misschien is daar een grotere afstand in de tijd voor nodig. Afgezien van de meesterlijke analyse die John Maynard Keynes verbluffend snel maakte na de krach van 1929 en de depressie die daarop zou volgen, gaat er veelal een tijd overheen voordat een economisch tijdperk in het juiste perspectief kan worden gezien. Over vier jaar misschien? Zo'n periode kan, zo weten we nu, heel snel voorbij gaan. Zo snel dat we ons in 2007 misschien wel afvragen waar we ons in 2003 ook alweer druk om maakten.

Paul Krugman: The Great Unraveling. From Boom To Bust in three Scandalous Years. Allen Lane, 428 blz. euro 31,–

George Monbiot: The Age of Consent. A Manifesto for a New World Order. Flamingo, 274 blz. euro 28,51

Joseph Stiglitz: The Roaring Nineties. Seeds of Destruction. Allen Lane, 389 blz. euro 33,50

    • Maarten Schinkel