De kreupele beminde

De Britten hebben een haat-liefdeverhouding met hun spoorwegen, Britse kunstenaars ook. Het nieuwe toneelstuk van Sir David Hare beweent de gevolgen van de privatisering.

Het is een slecht begin van de reis naar York voor de première van een toneelstuk over ontsporingen, dodelijke ongelukken, vertragingen en de vieze, volle en toch peperdure treinen van de Britse spoorwegen. De Flying Scotsman vertrekt stipt om 10.00 uur uit het Londense station King's Cross. De customer service officer wenst zijn gasten over de intercom verstaanbaar een prettige reis en binnen minuten staat een gratis kop koffie op tafel, nu eens geen kokende kruipolie, maar koffie die de naam mag dragen. Plus een knapperig broodje in plaats van de gebruikelijke lap stopverf. De paar andere passagiers in het rijtuig lezen rustig de krant en zitten nu eens niet in hun gsm te tetteren. En terwijl de trein zachtjes wiegelt en prettige tok-tokgeluiden maakt in de wissels, maken de buitenwijken plaats voor schuivende panorama's in golvend groen en goud. Wat wil je nog meer?

Bijvoorbeeld dat dit de regel zou zijn, zoals in andere Europese landen, en geen uitzondering in een litanie van ellende die al tien jaar duurt. Volgende week breekt het zoveelste hoofdstuk in de Britse spoorwegcrisis aan. Dan wordt het verkeer op de meeste hoofdroutes stilgelegd voor een nieuwe reeks miljarden verslindende reparaties. Er is geen dienstregeling; wie met de trein wil, bijvoorbeeld om met kerst bij familie te zijn, moet hopen dat er eentje gaat. Wie in de trein zit, weet niet wanneer hij aankomt. En niet eens óf hij wel aankomt.

Britten hebben al 175 jaar een spoorweg, langer dan enig ander volk op aarde. De trein gaf de industriële revolutie vaart, veranderde het landschap ingrijpend, bracht rijkdom en maakte het land democratischer, omdat de middenklasse en later de arbeiders zich nu ook konden verplaatsen. Boven alles veranderde de trein de verhouding van tijd en ruimte.

De spoorweg was het symbool van het Empire, van Brits ondernemerschap, van hightech ingenieurskunst, architectuur en van burgerlijke trots. Van dat alles moet iets zijn blijven hangen, gelooft Ian Marchant. Hij heeft net een reisboek geschreven over de plek van de spoorweg in de Britse ziel: Parallel Lines. Hoe anders de liefde te verklaren die veel Britten blijven koesteren voor hun kreupele spoorweg?

Bespottelijk

,,Er zijn twee spoorwegen'', verklaart Marchant de paradox. ,,De ene is die uit het dagelijks gebruik, die haten we.'' Dat is de, in 1993 geprivatiseerde, spoorweg waar winst voor de aandeelhouders ten koste ging van de veiligheid. De spoorweg van de `verkeerde sneeuw', de `gladde regen', de `das in een schakelkast' en al die andere bespottelijke excuses die dagelijks uit de stationsluidsprekers klinken. De spoorweg van de stakingen. Van het achterstallig onderhoud en het financiële zwarte gat. Van de perrons die moesten worden afgeslepen omdat nieuwe treinen een paar centimeter te breed waren. Van de intercity die nog steeds elke dag een paar minuten in een weiland stilstaat omdat hij van de dienstregeling een niet-bestaande HSL voorbij moet laten. En van Clapham Junction, Southall, Ladbroke Grove, Hatfield en Potters Bar, plaatsnamen die synoniem zijn geworden met ontsporingen en botsingen waarbij in de laatste vijftien jaar een kleine honderd doden vielen.

De andere spoorweg is degene ,,die we ons herinneren, of denken te herinneren en waar we van houden'', zegt Marchant. Dat is de spoorweg van Brief Encounter (1945) die begint met het kolenstofje dat Trevor Howard uit Celia Johnsons oog haalt, van Hitchcocks Strangers on a Train (1951), The Titfield Thunderbolt (1953) en misschien zelfs van The Great Train Robbery (1979). Dat is de spoorweg van de lange viaducten en de gietijzeren Victoriaanse stationskathedralen. Van de vrolijke machinisten en de stoom en de vonken. Van de bel in een seinpost en overwegbomen die tinkelend neergaan. Van `gansch het raderwerk' dat de moderne tijd aandrijft. Het is ,,de mooie, romantische spoorweg tjokvol nostalgische beloftes''. En nostalgie, zegt Marchant, is nu eenmaal ,,het levensbloed van de Britten''.

Heel soms vallen die twee spoorwegen, de echte en de verbeelde, nog even samen. Zoals in het Londense station St Pancras, de neogotische folly die nu wordt gerestaureerd en als halte gaat dienen voor de hoge snelheidstrein naar het continent. Of in een van de boemeltreintjes die in Wales vlak langs de zee slingeren. Of aan boord van de Flying Scotsman van 10.00 uur uit King's Cross met niks te klagen. Maar dat zijn de uitzonderingen. Verder raken de twee spoorwegen elkaar alleen in een imaginair punt achter de horizon, als parallelle lijnen.

Vakmanschap

De falende Britse spoorweg en de droom van een betere zijn ook het onderwerp van The Permanent Way, het nieuwe toneelstuk van Sir David Hare. Sinds een maand trekt het volle zalen in provinciale hoofdsteden en vanaf januari is het vier maanden lang in het National Theatre in Londen te zien.

,,Wat een ongekend saai onderwerp, ik kan me niet voorstellen dat er een toneelstuk in de spoorwegen zit'', zegt een hoge ambtenaar van Financiën die aan het begin van het stuk wordt opgevoerd. Hij heeft het fout. The Permanent Way is meeslepend toneel, dat het publiek laat huilen en lachen. Het is een vernietigende analyse van alles wat er misging met de spoorwegen sinds het begin van de privatisering onder Tory-premier John Major, precies tien jaar geleden. Het is ook een aanklacht tegen de grootschalige vernietiging van publiek kapitaal en de minachting voor vakmanschap, die het land zo'n haveloos uiterlijk geven.

En het is het protest van Hare tegen de hypocrisie van Tony Blair. In de oppositie noemde de Labour-leider het nog absurd om het publieke spoorbedrijf British Rail te vervangen door ,,een hutspot van 113 particuliere bedrijven, met elkaar verbonden door een gigantische bureaucratische snipperjacht van contracten''. Maar toen hij premier was geworden, durfde hij die `balkanisering' niet terug te draaien. Zelfs na het faillissement van Railtrack, het beursgenoteerde spoorbedrijf dat de rails verhuurde aan de treinmaatschappijen en dat door de overheid nu de facto is gehernationaliseerd, liet de regering de noodlottige `scheiding tussen rail en wiel' ongemoeid.

Hare is niet de eerste die dit onderwerp aangrijpt. Filmer Ken Loach ging hem in 2001 voor met The Navigators, een film over een groep spoorwegarbeiders in de Midlands die door de privatisering – `flexibele arbeidstijden', `competitie', `kostenbesparing' – in het nauw komen, zowel op het werk als in hun privé-leven. Die film, vernoemd naar de navvies die in de negentiende eeuw de spoorwegen aanlegden, gaat over loyaliteit en vriendschap en gewone mensen als speelbal van het economisch getij. Daar zat een harde politieke boodschap in, maar die was misschien vooral zo hard omdat Loach hem niet met zoveel woorden uitsprak.

The Permanent Way geeft die boodschap wel uitdrukkelijk en past daarmee in een recente golf van politieke toneelstukken, onder meer over de oorlog in Irak. Er is nog een verschil met Loach: de teksten van Hare zijn geen fictie, maar echt. Ze zijn afkomstig uit de honderden gesprekken die Hare, regisseur Max Stafford-Clark en de negen acteurs (die samen veertig rollen spelen) hebben gevoerd: met ambtenaren, bankiers, ingenieurs, directeuren, de dominee van Hatfield, met gewone reizigers en vooral ook met de slachtoffers van de ongelukken: de nabestaanden en de overlevenden. Acteurs werkten een tijdje als conducteur of trokken dagenlang op met een onderhoudsploeg. Andere citaten komen uit de knipselmap, zoals de vaste verzuchting na elk ongeluk door John Prescott, Blairs vice-premier die over de spoorwegen ging: ,,Dit mag nooit meer gebeuren.''

Docu-toneel

Hare (1947) betoogt al langer dat fictie niet superieur is aan documentaire. In Via Dolorosa, een stuk uit 1998 over zijn reis door Israël en de Palestijnse gebieden, bracht hij dat in de praktijk door uitsluitend mensen aan het woord te laten die hij zelf had gesproken. The Permanent Way is een nieuw geval van `reality-theater', docu-toneel, journalistiek drama, of hoe je het ook wil noemen.

Het opent met een knappe truc: op het achterdoek is een bekende art deco reclameposter van de spoorwegen geprojecteerd, waarin de stoomtrein opeens begint te rijden. Op het doek gebeurt later nog meer spectaculairs, met als hoogtepunt een aanstormende intercity die uit de rails loopt, waarbij je jezelf moet bedwingen om niet uit je stoel te springen. Maar het beste vuurwerk komt van de spelers.

,,Ik ben grootgebracht met het idee dat de Fransen niks kunnen. Maar daar lopen de treinen prima. Waarom kunnen wij dat niet.''

,,Wat is het toch goed als iemand wel zijn vak verstaat. In 1950 wilden alle vrouwen met de loodgieter neuken. En nu nog steeds. Waarom? Omdat de loodgieter tenminste weet wat-ie doet.''

,,Op de weg sterven elke dag mensen, 3.450 per jaar. Maar als er vier doodgaan op het spoor is het een nationale crisis. Omdat de spoorwegen een symbool zijn.''

Zo begint het stuk, met een spervuur van wisecracks door een groep passagiers die op een perron staan te wachten op een trein die niet komt. Ze praten niet tegen elkaar, maar ieder voor zichzelf tegen de zaal. Het stuk is dan nog een collage. Maar in de volgende scène ontstaat samenhang als hoge ambtenaren en bankiers zich in soortgelijke monoloogjes proberen te herinneren hoe de privatisering ook al weer tot stand kwam. ,,We wilden niet een publiek monopolie door een particulier monopolie vervangen'', zegt de man van Financiën. ,,Dat hadden we met het telefoonbedrijf gedaan en het werkte niet. Zo kwamen we op het idee om het spoor en de treinen van elkaar te scheiden.''

Wat dat betekende voor het werkethos en de veiligheid wordt pijnlijk duidelijk in de scène erna, van een groep onderhoudsarbeiders in oranje veiligheidsjacks en witte helmen, die pochen dat ze een verplichte test hebben ontdoken. ,,Er is veel werk aan de nieuwe lijn voor de Stansted Express'', zegt een van de mannen. ,,Zoveel als je wilt. Allemaal via onderaannemers. Je hebt eigenlijk geen idee voor wie je eigenlijk werkt.''

En zo belanden we als vanzelf bij de Britten die de gevolgen van de privatisering het hardst ondervonden: degenen die een familielid verloren, of zelf een ongeluk overleefden. Hoewel ook zij blijven spreken in korte, losse monologen tegen de zaal, verandert de gespeelde documentaire zo in een toneelstuk dat kippenvel bezorgt. Zoals in de scène met het echtpaar dat een zoon verloor. Zíj is geobsedeerd door de feiten die tot het ongeluk leidden, van seinpalen en wissels tot de noodrem. Híj wil het liefst alles wat met treinen te maken heeft vergeten. Zo kunnen ze behalve hun kind ook nog hun huwelijk verliezen bij een spoorwegongeluk, bedenk je je.

Precies zo'n wig drijft de ramp tussen de survivors en de bereaved (nabestaanden), de twee groepen die aanvankelijk solidair zijn in hun roep om gerechtigheid. De ene groep wil verder, proberen het leven op te pakken en het ongeluk achter zich te laten. Zij vinden dat de ,,nabestaanden hun emotionele bagage op je dumpen, maar ik had niet nóg meer nodig''. Maar de nabestaanden kúnnen juist moeilijk verder en hebben alleen hun herinneringen over. Bijvoorbeeld aan de `rouwbegeleider' die terwijl de slachtoffers nog geïdentificeerd moeten worden even naar huis belt om te zeggen dat het vast niet laat wordt. Of aan een van de survivors die haar verhaal aan een Britse krant verkocht, met als eerste zin: ,,Ik kwam bij in de geur van menselijke barbecue.''

Beide groepen worstelen nog steeds met de vraag of de ongelukken het gevolg waren van menselijk falen, of van `het systeem' dat inherent onveilig was, met in het verlengde de vraag of er iemand schuld moet bekennen. ,,Wij wilden een excuus'', zegt Nina Bawden in het stuk, de kinderboekenschrijfster die haar man verloor tijdens de Potters Bar-ramp in mei vorig jaar en zelf zwaargewond raakte (en niet meer kan schrijven). ,,Want pas als ze sorry zeggen, kun je het achter je laten.''

Het is nog steeds niet gebeurd en zal vermoedelijk ook niet gebeuren, zelfs niet onder dwang, omdat Britse bedrijven niet voor doodslag vervolgd kunnen worden.

Loodzwaar

Bawdens simpele en ontroerende boodschap blijft aan het eind loodzwaar in de lucht hangen. Misschien iets te zwaar, omdat Hare de spoorweg gebruikt als metafoor voor Blairs Brittannië ,,waar niets functioneert'', van de gezondheidszorg tot het onderwijs. ,,Uit het falen van de Labour-regering om het probleem dat ze erfde bij de wortels aan te pakken, kun je veel leren over de ontbrekende verbinding tussen de politieke klasse en het volk dat ze ooit verondersteld werd te dienen'', schreef Hare vorige maand in The Guardian, waarbij hij het spoorwegfiasco verbond met de oorlog in Irak.

Maar zo'n J'accuse klinkt te schel. Misschien is de regering-Blair niet doortastend genoeg geweest bij het herstel van de publieke sector na achttien jaar Tory-regeringen, en het is wel zeker dat er miljarden zijn verkwist aan weinig effectief lapwerk en bureaucratie. Maar Blair kan toch moeilijk beschuldigd worden van hetzelfde cynisme als zijn voorgangers.

Door alle woede die er uit The Permanent Way sijpelt is er nauwelijks ruimte voor een voorstel om de echte en de ingebeelde spoorweg weer met elkaar te verbinden. Of het überhaupt kan, is de vraag. Misschien gebeurt het als al die investeringen zich door een mirakel eindelijk gaan terugverdienen. Misschien als de auto zo onaantrekkelijk wordt dat de Britten wel weer met de trein moeten. Misschien als de doodsbenauwde nieuwe managers het spoornet niet compleet stilleggen bij kleine incidenten, waardoor de dienstregeling voor dagen is verstoord en passagiers nog meer vertrouwen verliezen. Misschien ook moeten Britten anders gaan denken over spoorwegdoden dan andere verkeersdoden. Nu kosten de nieuwe veiligheidsmaatregelen op het spoor drie miljoen pond per gespaard leven, hebben statistici becijferd, tegen honderdduizend pond op de snelweg.

Ian Marchant, de schrijver, houdt hoop. ,,Britten houden te veel van hun spoorweg'', zegt hij. ,,Door de week zitten ze in de afschuwelijkste forenzentreinen, of ze zitten negen uur in een gangpad tussen Manchester en Londen. Lijden in stilte. Put up with it, dat is hun probleem. Maar wat doen ze in het weekeinde? Dan nemen ze hun kinderen mee naar een museumspoorweg met stoom. Ik denk niet dat ze de fouten van het spoor vergeven. Ze vergeten ze.''

The Permanent Way, 8 januari t/m 1 mei in het National Theatre, South Bank, Londen. Inl: 0044-20-74523000 of www.nationaltheatre.org.uk

Ian Marchant, `Parallel Lines', uitg. Bloomsbury, 312 blz. ISBN 0 7475 6578 3. Prijs £12,90

    • Hans Steketee