Cees is altijd weg

Cees Nooteboom, aan wie vorige week de P.C. Hooftprijs werd toegekend, heeft zich nooit bij clubjes aangesloten, nooit een manifest ondertekend en is nooit redacteur van een tijdschrift geweest. Zo werd hij in het buitenland `Meneer Europa' terwijl hij er hier nooit helemaal bij leek te horen. Wat ziet het buitenland dat wij niet zien – of andersom?

De benepenheid waarmee zijn werk in Nederland altijd wordt benaderd, was even in het niets verdwenen. Cees Nooteboom leek, met de toekenning van de P.C. Hooftprijs, ineens van een `Europees schrijver' die in eigen land wordt verguisd, de lieveling te zijn van de Nederlandse letteren. Journalisten struikelden over elkaar heen om zijn oeuvre aan te prijzen.

Waarom klikte het dan zo lang niet tussen Nooteboom en Nederland? Hij deed daar zelf soms wat schouderophalend over, want: elders lof genoeg voor deze auteur. In Duitsland zijn bij Suhrkamp onlangs de eerste drie delen van zijn Gesammelte Werke verschenen en hij kreeg er vorig jaar de Goethe-prijs voor zijn oeuvre. In Oostenrijk ontving hij de internationale prijs voor reisliteratuur (1996) en dit jaar een prestigieuze staatsprijs. En in 1993 kwam daar de Europese Aristeion-prijs bij, voor zijn boek Het volgende verhaal.

Aan de andere kant hoorde je Nooteboom in interviews vaak mopperen over het gebrek aan openbare waardering in eigen land. Kon het niet wat enthousiaster, daar in Nederland? En het is ook een merkwaardig verschijnsel. Een schrijver die even lang meeloopt als Mulisch, Campert en Reve, die in vijftig jaar een oeuvre van romans, novellen, poëzie, toneelstukken en reisverhalen bij elkaar heeft geschreven, maar die er toch steeds niet helemaal bijhoort. Zelf klaagde hij in 1984 in een lezing (in Londen): `Als je in Nederland succes wilt hebben [als schrijver], moet je een dominante vader hebben en een calvinistische achtergrond.' Met die Hollandse karaktertrek, de combinatie van zelfkwelling en soberheid, en met de literatuur die dat oplevert van realisme en eindeloze introspectie, heeft hij nooit iets opgehad. Dat kan een deel van de verklaring zijn. Maar inmiddels gelden heel andere regels in de literatuur: nu gaat het juist eerder om, al dan niet dominante, moeders en om esthetisch en levensbeamend katholicisme, zeg maar om de extatische en sensuele kanten van het bestaan. Dus wat is het nu?

Zou het een beetje jaloezie zijn van Nederland, op een landgenoot die zo gemakkelijk over de eigen grenzen heen kijkt, die niet naar de eigen navel staart maar lichtvoetig telkens opnieuw de koffers pakt? Nooteboom heeft zich nooit bij clubjes aangesloten, nooit een manifest ondertekend en is nooit redacteur van een tijdschrift geweest. Hij was altijd weg. En dat weggaan had niets te maken met onbehagen met zichzelf, hij presenteerde zich niet als gekwelde ziel of tobber, nee, het reizen had eerder te maken met behagen in de onbekende wereld. Nog vorig jaar vertelde hij in een interview over een reis die hij net had gemaakt: ,,Ik heb zevenduizend kilometer in Amerika afgelegd. Ik kom daar op een busstation en ik pak een bus naar een plaats waar ik niet eerder ben geweest. Dat is het ware trekken.'

Nieuwsgierigheid dreef hem uit Nederland. Zijn reisverhalen schreef hij – en dat werd hem in de anti-commerciële jaren zestig en zeventig niet in dank afgenomen – voor Avenue, een glossy die naar geld rook. Hij werd een soort reisjournalist die ook weleens literatuur bedreef: een beetje oppervlakkig dus, een beetje véél eigenlijk. Nooteboom nam revanche door in het buitenland te schitteren, zowel met zijn romans en novellen als met zijn reisverhalen. Toch vraag je je af: wie is er nou gek, het buitenland of wij? Wat ziet de rest van Europa wat wij niet zien, of andersom?

Voor zijn Duitse succes zal het zeker hebben geholpen dat Nooteboom Berlijnse notities (1990) schreef, zijn verslag van het jaar van de Wende. Ook Marcel Reich-Ranicki, de dominante presentator van Das Literarische Quartet die in 1993 Nootebooms Rituale de hemel in prees, zal hebben bijgedragen aan zijn Duitse opmars. Zo zal het ook in het voordeel van zijn Spaanse doorbraak hebben gewerkt dat Nooteboom over dit land De omweg naar Santiago schreef, de weerslag van veertig jaar liefde voor wat zijn tweede vaderland werd. En misschien verstevigde Nooteboom de band met zijn buitenlandse lezers nog eens extra door zijn meest recente roman Allerzielen (1998) juist in Spanje én Duitsland te laten spelen.

Nooteboom cultiveert die status als literaire Europeaan, en dat moet ook een deel van de verklaring zijn van zijn buitenlandse succes. `Ik heb nu eenmaal een ongeneeslijke drang tot versnippering over vele landen', schreef hij in De ontvoering van Europa. Voortdurend wordt hij in het buitenland gevraagd om lezingen over `Europa' te geven, tot en met de Duitse bondskanselier Schröder die hem uitnodigt om met Oost-Europese schrijvers een avond van gedachten te wisselen over Europa. Nooteboom is Herr Europa.

Hij werkte daar al aan vanaf het begin van zijn schrijverschap. In zijn reisoeuvre spiegelt Nooteboom ons een `gedroomd Europa' voor. In een lezing in 1993 vertelde hij drie korte fabels waarvan de boodschap duidelijk was. Europa mocht niet worden gereduceerd tot onderlinge politieke machtsstrijd, niet tot een kakofonie van nationalismen, en al helemaal niet tot een economische kwestie. Dat klinkt iedere geciviliseerde Europeaan natuurlijk als waardige, beschaafde muziek in de oren. Nooteboom laat zien wat Europa zou kúnnen zijn. `Een Europa van alle landen' noemt hij het in de lezing. Het is een Europa waar iedereen even zwaar telt, en waar vooral de nieuwsgierigheid naar het andere onvermoeibaar zou behoren te zijn.

Je kunt dat natuurlijk wat schamper een soort hoogdravend Europees idealisme noemen. Maar Noote

boom geeft met zijn reisverhalen het goede voorbeeld. Nadat hij Berlijnse notities had geschreven, keerde hij een jaar later terug naar die stad. Je zou na zijn eerdere boek verwachten dat hij nu wel weet hoe het er daar voorstaat. Maar wat blijkt? Hij noteert: `Waar ben ik teruggekomen: in wat voor stad? Dat weet ik nog steeds niet. Het gaat hier om een dubbele terugkeer, de eerste in februari, de tweede in april. In die tijd heeft de twijfel zich verdiept, het wordt steeds moeilijker er iets over te zeggen.' Hij weet niet meer, hij weet juist minder.

Dat behoort tot de basishouding van Nooteboom, en het is een houding die in Nederland niet veel indruk maakt. Het typeert de waarnemer Nooteboom dat niet hijzelf in Berlijn krachtige vooroordelen verkondigt over hoe het er na de Wende voorstaat met de stad, maar zijn Berlijnse vrienden.

Het is of de Muur terug is. `,,Die in het Oosten hebben een onderofficierenmentaliteit, daar valt niet mee te praten.' ,,Die in het Westen zijn arrogant, die willen ons koloniseren.' ,,Die hebben zich veertig jaar dat systeem aan laten leunen, wat denk je dat dat voor mensen zijn? Eén op de zes was lid van de Stasi. Kun je je dat voorstellen, wat een mentaliteit? Daar waren we net van af, dat hoeven we er heus niet bij.' ,,Geld, geld en nog eens geld, dat is alles waar die Wessies aan denken. Die vinden ons maar armoedzaaiers. Ze hebben gewoon geluk gehad. Komen ze hier een beetje rondtoeren met hun dikke Mercedessen, kijken of er nog een huisje van ze staat.'' Nooteboom gaat vervolgens de stad in, op zoek naar wat hij zelf ziet.

Het liefst sluipt Nooteboom als een literaire geheim agent door de straten van onbekende oorden. Euforisch wordt hij, als hij merkt dat mensen op straat of in cafés hem helemaal niet zien staan. Want precies deze onzichtbaarheid geeft hem de ruimte die hij zoekt. Precies dit `er niet zijn' maakt dat hij er op een andere manier wél kan zijn. Het geeft hem de mogelijkheid om dichtbij onbekende levens te komen. `Niemand let op mij, want ik ben er niet en ik mag naar iedereen kijken', zegt hij in `De verjaardag van de Keizer' (1977).

Nooteboom doet daarmee het omgekeerde van zich iets willen toeëigenen. Hij verzet zich tegen het cliché dat iets je raakt dankzij de `herkenning'. Misschien maakt hij zich ook gewoon geen illusies over het vermogen anderen echt te kennen of begrijpen. Want nadat hij al een tijdje in Gambia is, in 1975, en op alle mogelijke manieren het land heeft verkend, beseft hij dat het land voor hem niet minder vreemd is geworden, de afstand is eerder vergroot. `En ik blijf omkijken naar de mensen die daar nog steeds staan, en die mij verbannen naar mijn eigen lot: iemand die nooit een Afrikaan zal zijn, die nooit zal weten wat het is om 's avonds onder de bomen te zitten en elkaar langzame verhalen te vertellen, die nooit in zijn familie zal leven tot alles en iedereen opgesleten is.'

In die scène zit een flinke dosis romantiek, inclusief de melancholie om wat onhaalbaar is. Maar waar het om gaat, is dat Nooteboom hier op een liefdevolle manier de kunst beheerst om niet de kolonisator uit te hangen. Hij is nieuwsgierig, maar toont ook respect. Het irriteert hem als een Fransman die al twintig jaar in Afrika komt, zuchtend tegen hem zegt dat er wel nooit wat zal veranderen op dat continent, aan die geschiedenis van moord en bloed (in `Maanland Mali'). Hij vindt het arrogant, dom, verwend.

Misschien zijn Nederlanders ook wel allergisch voor die weinig zwaarmoedige, onbegrensde nieuwsgierigheid van Nooteboom. Want terwijl het Nooteboom niet moeilijk afgaat een vreemdeling van zichzelf te worden, willen Nederlanders juist vaak dat vreemdelingen zo snel mogelijk op hen gaan lijken. Of, zoals Nooteboom het zei in zijn lezing `De pijl van Zeno', over het Westen: `Ik denk dat deze eeuw, en zeker dit werelddeel, het nomadische niet meer verdraagt, in welke vorm het zich ook voordoet, asielzoekers, vluchtelingen, boat people, zigeuners, zwervers. Men hoort te blijven waar men is, `ingezeten' te zijn. Voor zover ik mijn tijdgenoten bekijk hebben ze hun auto's niet om te reizen, maar om 's avonds zo snel mogelijk weer op de plaats te zijn waar ze 's ochtends vertrokken waren.' Nooteboom is per implicatie zelf ook een nomade, maar wel, en dat is geen onbelangrijk verschil met de mensen die hij in zijn lezing aanhaalt, een vrijwillige.

Toen Rituelen in 1980 verscheen, zijn succesvolle terugkeer naar de roman, had Nooteboom zeventien jaar lang alleen maar gereisd en over reizen geschreven. Hij zei daarover in een interview: ,,Dat is mijn eigen copernicaanse revolutie geweest. Toen heb ik ontdekt dat de wereld niet zo erg om mij draait.' Die relativering van zichzelf, van Nederland ook, en zelfs van Europa, staat centraal in zijn reisverhalen. En natuurlijk hebben al die reizen ook weer invloed op zijn romans en novellen. Thema's als tijdelijkheid, geschiedenis, en herinnering, keren terug in wat officieel zijn `proza' heet, de romans. Maar het mooiste proza wat Nooteboom heeft geschreven, zijn toch de reisverhalen. In de romans en novellen poseert hij teveel als erudiete wereldburger: het wemelt er van de filosofische en literaire abstracties, die je op een vreemde manier koud laten – terwijl de reisverhalen nu juist zo overrompelend concreet en tastbaar zijn. De gedachten en bespiegelingen die je daarin leest, staan nooit los van wat de schrijver zelf ziet, hoort, ruikt, proeft, van wat hij als reiziger in den vreemde ondergaat.

Een indrukwekkend overzicht van de plaatsen waar Nooteboom allemaal in zijn Avenue-tijd is geweest, is te vinden in De atlas van Nooteboom. De schrijver kreeg het boek woensdag gepresenteerd ter ere van zijn zeventigste verjaardag eerder dit jaar. Het bevat een collectie reisfoto's van Eddy Posthuma de Boer, van veertien landen waar zij samen heen reisden, tot eind jaren tachtig. Mali, Brazilië, de Ardennen, Maleisië, Costa Rica, Marokko, Thailand, Gambia en Nootebooms favoriete bestemmingen Japan en Spanje trekken aan je oog voorbij.

De foto's in De atlas hebben een vergelijkbare functie als de madeleine, het cakeje in de thee, bij Proust: ze brengen herinneringen aan de verhalen op gang. De foto van de stenentuin bij de Ryoanji-tempel, bestaande uit drie groepjes stenen, haalt terug hoe Nooteboom door dat kale stuk grond gegrepen raakte. Hij beschreef het als een sterk lichamelijke ervaring en hij kon, alweer, niet precies uitleggen waarom het hem zo raakte. Toegeven dat de fysieke sensatie sterker kan zijn dan de rede, ook dat stond heel lang in het calvinistische Nederland niet erg hoog in aanzien. Had het te maken met Nootebooms `zachte' afscheid van de godsdienst? `Wie eenmaal de deur van de religie zachtjes achter zich heeft dichtgedaan, is meestal niet meteen bereid zijn weggeworpen oude waarden voor een nieuwe set mythes en mysteries in te ruilen, maar toch gaat van die paar meter kale grond een betovering en een geheimzinnige uitdaging uit die je moeilijk kunt weerstaan.'

Bij het zien van de foto van de grote sleeën op Madeira, met mannen erbij in een soort kaasdragersdracht, weet je weer dat Nooteboom – in tegenstelling tot zijn reputatie van beschaafde ernst – ook over het talent van de spot beschikt, en van de zelfspot. `En waarom zou ik niet eens een keer met een excursie meegaan? [...] In het dorpscafé staat een man met een nors gezicht dronken te worden van kleine glaasjes donkerbruine aguardiente. Hij heeft een wit, overall-achtig pak aan en een panama schuin op zijn hoofd. Nog even mag ik denken dat dit dus een zonderling is, maar dan zie ik hele groepen van die mannen, en het verschrikkelijke gebeurt: ze lopen met ons mee en brengen ons naar een rij sleden zonder ossen, zij zijn de ossen en die sleden zijn het vervoermiddel van Madeira. [...] De muren flitsen langs me heen, in flarden zie ik de meewarige blikken van de over de muur hangende inwoners kijken zoals ik naar een bus vol Amerikanen in Marken.'

De foto's en verhalen in De atlas voeren je zo werelden binnen zoals je ze niet kent uit een ander genre, de vakantieverhalen. Dorpen, mensen, landschappen van een ongrijpbare schoonheid. Schrale levens, stille levens, doorsnee levens, levens waarin eeuwenoude riten zichtbaar zijn, zoals bij de Hogon-priester in Mali. Sommige van de plekken en mensen die ze tegenkwamen bestaan niet meer op diezelfde manier, zegt Posthuma de Boer in de inleiding, `nu struikel je over de mensen die ook op reis gaan'. Sommige culturen of levensvormen verdwijnen ook gewoon in de vergetelheid. Van de paters in een trappistenklooster in de Ardennen ving Posthuma de Boer het laatste licht van hun al eeuwenlang hetzelfde leven. Nu sterven de monniken uit `en niemand die een vereniging voor ze opricht', schrijft Nooteboom in het verhaal `Xhoris Aywaille Ohey!', opgenomen in het fotoboek. In die constatering is de gouden draad van de weemoed geweven die in al zijn verhalen zit. Niet omdat hij iets wil van die trappisten, zijn eigen schooltijd in de Achelse Kruis ligt ver achter hem. Het gaat erom dat hij de vergankelijkheid wil tegenhouden van iets dat `een natuurverschijnsel leek' – en dat hij het vergeefse ervan inziet.

Er spreekt trouw aan de wereld uit dat verlangen naar behoud. Zijn vriend Marcel van Dam zei eens dat Nooteboom een pathologische angst had zich te binden: alsof trouw alleen maar zou bestaan uit een leven lang bij dezelfde vrouw blijven. Nooteboom is trouw aan de wereld, maar ook in de eerste plaats aan zichzelf. Ondanks zijn verlangen te verdwijnen, komt hij zichzelf overal weer tegen: een vreemdeling die Nooteboom heet, monsieur Boem, sir Nottebom. Deze reiziger is trouw aan de vluchtigheid van de wereld. Dat klinkt misschien mager, want wat levert vluchtigheid nou op? Toch is dat meer dan je zou denken. Het levert rake observaties op van juist het terloopse, het onaanzienlijke, van toevallige situaties en mensen die anders in de vergetelheid waren verdwenen.

Het kan Nooteboom daarom niet schelen dat het hectische Tokio niet van een museale schoonheid is. `De reddende gratie zit in de kleine dingen, de cultuur van het dagelijks leven.' Hij reisde niet naar Zuid-Amerika om de revolutie te kunnen bezingen, zoals zovelen van zijn collega-schrijvers in de jaren zestig, maar om te kunnen schrijven over de Boliviaanse tinarbeider met een levensverwachting van vierendertig jaar. Hij liet de overbekende Canarische eilanden voor wat ze waren en koos voor dat ene, ruige eiland van de groep, Hierro, waar geen toerist zo gek is om naartoe te gaan. Het ging hem niet om Japan als industriële grootmacht maar om de Japanse bruid die hij ineens uit een klein laag huisje ziet komen, ergens in Kyoto, een volslagen vreemde verschijning met een gezicht vol blanketsel, die hij na een paar seconden weer in een gebouwtje ziet verdwijnen, `een ogenblik van niets op een pleintje van niets, maar niet vergeten'.

Nooteboom gaat inductief te werk, hij bouwt op, en ook dat is niet erg kenmerkend voor Nederland, waar vaak wordt begonnen met grote principes. Voor dat inductieve moet je een beetje pierewaaiend kunnen reizen. Posthuma de Boer vertelt in De atlas van Nooteboom dat de schrijver van te voren ongeveer wel wist wat hij wilde, maar als ze ergens eenmaal waren, zag hij hem `nadenken en putten uit een enorm reservoir van verlangens, drijfveren en geestelijke bagage'. Nooteboom verlegde routes, week van plannen af, bedacht 's morgens dat hij toch iets anders wilde doen dan wat hij de avond tevoren had bedacht. Hij reisde proefondervindelijk en dat betekende dat het `zeker weten' geen kans kreeg. Zeker, hij bereidde zijn reizen grondig voor, reisgidsen ontbraken nooit in de tas, maar hij beschouwde dit alles als wat hij zelf spottend zijn `huiswerk' noemde. Het echte werk begon met het reizen zelf.

Je zou het een essayerende manier van reizen kunnen noemen. Terloops en ondoelmatig loopt hij door de wereld, met het oog op scherp. En zoals hij reist, schrijft hij ook. In zijn verhalen klinkt het onaffe en relativerende door van de reiziger die weet dat hij niet het centrum van de wereld is. En die weet dat Europa, om maar te zwijgen van Nederland, minder belangrijk is dan je zou denken. Met zijn reisverhalen staat deze Herr Europa in de traditie van Erasmus, Montaigne, Voltaire, Diderot, Enzensberger, van schrijvers die de werkelijkheid proefondervindelijk benaderen. Die het onderzoek belangrijker vinden dan de uitkomst. Die de `perplexiteit' als uitgangspunt nemen, de stomme verbazing over de ongekende grootheid van de wereld. Zo'n reisschrijver is Nooteboom vanaf het begin geweest.

`Ik geloof niet dat er door reizen iets duidelijker wordt, maar de illusie dat het wel zo is houdt stand tegen beter in', schreef Nooteboom in `Zonnig Madeira'. Voor die illusie verdient hij de P.C. Hooftprijs.

Eddy Posthuma de Boer: De atlas van Nooteboom. Met een inleiding van Margot Dijkgraaf. Atlas, 139 blz. euro19,90

De reisverhalen van Cees Nooteboom zijn onder andere te vinden in `Van de lente de dauw' (Arbeiderspers), `Een avond in Isfahan' (Singel pocket), `Berlijnse notities'(Singel pocket), 'Waar je gevallen bent, blijf je' (Arbeiderspers), `De omweg naar Santiago' (Atlas)

    • Annemiek Neefjes