Pleidooi voor een nieuwe schoolstrijd

Een seculiere staat met een seculier onderwijsbestel vormt de beste garantie voor een vitale Nederlandse rechtsstaat, ook in 2030 wanneer hier naar alle waarschijnlijkheid de islam de grootste godsdienst is geworden, betoogt Herman Philipse.

Het recente debat over islamitische scholen in Nederland wordt te veel in louter juridische termen gevoerd, waardoor de achterliggende problemen uit het zicht verdwijnen. Ten diepste speelt hier de vraag hoe Nederlanders wensen dat hun land er sociaal, politiek en cultureel uit zal zien over zo'n 25 jaar, gegeven de sterke groei van de niet-westerse allochtone bevolking in het algemeen en de moslimbevolking in het bijzonder.

Naast juridische argumenten ontleend aan geldend recht, moeten in het debat twee soorten overwegingen expliciet worden uitgewerkt. Enerzijds dient men empirische prognoses over de ontwikkeling van de islam binnen Nederland op hun waarschijnlijkheid te toetsen, alvorens men zich een mening vormt over de wenselijkheid artikel 23 van de Grondwet ongewijzigd te handhaven of de toepassing ervan te veranderen. Anderzijds spelen normatieve voorstellingen over integratie een rol. Is het een overheidstaak minderheden te stimuleren tot behoud van eigen cultuur, of moet het integratiebeleid er uitsluitend op gericht zijn gunstige voorwaarden te scheppen voor sociaal-economische emancipatie en assimilatie aan de grondwaarden van westers burgerschap, zoals ik eerder heb betoogd?

Wat betreft de toekomst van de islam binnen Nederland staan twee scenario's tegenover elkaar. Velen zijn van mening dat de islam zich hier op ongeveer dezelfde wijze zal ontwikkelen als protestantisme en katholicisme dat in de twintigste eeuw hebben gedaan. Na een sterke verzuiling, mede veroorzaakt door de pacificatie van 1917, begonnen gelovigen zich in de jaren '60 te emanciperen van knellende geloofsbanden, met als resultaat dat nu zestig procent van de bevolking zegt geen kerkelijke binding meer te hebben. Moslims zullen dezelfde weg naar de moderniteit afleggen, zo meent men, en de huidige orthodoxie of het fundamentalisme van bepaalde moslimgroeperingen zijn slechts symptomen van een tijdelijke achterstand. Waarom zou men zich zorgen maken over de groei van de Nederlandse moslimbevolking of over islamitische scholen?

Een andere analogie, namelijk met islamitische landen, levert een andere prognose op dan dit scenario van secularisatie door modernisering. In de islamitische landen was de moderniteit niet zoals in Europa een autonome beweging van de eigen cultuur, maar een opgelegde noodzaak, die bij moslims vervreemding en diepe ressentimenten opriep. Het islamitisch fundamentalisme van een Maududi, Khomeiny, Qotb, of Shukri, ging niet aan de moderniteit vooraf. Veeleer was het een reactie op urbanisatie en op moderne westerse ideologieën zoals kapitalisme, socialisme en communisme.

Het fundamentalisme behoort tot de moderniteit, evenals de recente hausse van islamitische zelfmoordterreur. Modernisering impliceert dus niet altijd secularisatie. Ook een radicalisering van de oorspronkelijke religie behoort tot de mogelijkheden en deze wint nog steeds terrein in islamitische landen.

De politieke islam is niet zoiets goedmoedigs als een Nederlandse protestantse kerk. Het is een wereldwijde machtsbeluste beweging met een sterke zendingsdrang, die beschikt over moderne communicatiemiddelen en de geldbronnen van het Wahabitische Saoedi-Arabië. Volgens het tweede scenario is het naïef te menen dat deze beweging Nederland links laat liggen. Moslimkinderen die zich in Nederland niet welkom voelen kunnen aangetrokken worden tot radicale islam, die hun, door het totalitaire karakter ervan, een veilige haven voorspiegelt. De sociaal-economische achterstand van veel Nederlandse moslimgemeenschappen zal deze ontwikkeling bevorderen, zodat er genoeg redenen zijn om zich zorgen te maken.

Welk van deze beide scenario's zal prevaleren hangt af van factoren die zich grotendeels onttrekken aan beïnvloeding door de Nederlandse overheid. Ik denk aan het verloop van de bezetting en gedwongen democratisering van Irak, of de ontwikkeling van het Israëlisch-Palestijnse conflict. Veronderstel, for the sake of argument, dat de Nederlandse moslimbevolking in 25 jaar verdubbelt en dat een kwart ervan seculariseert, de helft vrijzinnig wordt, en een kwart radicaliseert. Dan wonen in 2030 zo'n half miljoen radicale moslims in Nederland. Hoe moeten we ons op deze situatie voorbereiden?

De Nederlandse overheid kan proberen gunstige voorwaarden te scheppen voor gewenste ontwikkelingen door een gericht achterstandsbeleid en door schoolpolitiek. Wat dit laatste betreft staan wederom twee scenario's tegenover elkaar, die berusten op tegengestelde inschattingen van het effect dat islamitische scholen op hun leerlingen zullen hebben. Niet-islamitische voorstanders van meer moslimscholen beroepen zich niet alleen op artikel 23 Grondwet. Ze zijn ook van mening dat een kind dat naar school gaat in eigen kring gemakkelijker het zelfvertrouwen verwerft dat nodig is om te slagen in de Nederlandse samenleving, zodat islamitische scholen de integratie zullen bevorderen.

Tegenstanders, zoals de Amsterdamse wethouder Oudkerk (PvdA) of de VVD-fractie in de Tweede Kamer, zijn een andere mening toegedaan over deze tweede empirische kwestie. Zij betogen dat islamitische scholen bepaalde culturele patronen bij hun leerlingen zullen versterken die integratie in de Nederlandse samenleving bemoeilijken, zoals een ondergeschikt rolpatroon van de vrouw, een uitsluitend op voortplanting gerichte seksuele moraal, gebrek aan kritisch denken, overheersing van het individu door de groep, en een distantie, of zelfs wantrouwen, van moslims ten opzichte van niet-moslims. Daarbij komt nog het mono-ethnische karakter van de meeste islamitische scholen, waardoor kinderen worden afgesloten van leeftijdgenoten die niet behoren tot de eigen kring.

Ofschoon het rapport van de Onderwijsinspectie islamitische scholen nader onderzocht (oktober j.l.) deze bezwaren niet direct bevestigt, zal het velen de wenkbrauwen doen fronsen. Zo mogen islamitische scholen van de inspectie hoofddoekjes voor meisjes verplicht stellen, jongens en meisjes gescheiden les geven, en hun leerlingen vertellen dat de islam het enige ware geloof is, want bijzondere scholen zijn er juist voor om, als de school dat wil, les te geven vanuit het eigen geloof. De Franse commissie-Stasi slaat op dit punt een heel wat minder naïve toon aan.

Wie geen radicale moslim is en in beide empirische kwesties telkens het tweede scenario voldoende waarschijnlijk acht, zal gekant zijn tegen de toename van het aantal islamitische scholen. Niemand heeft echter voorgesteld de vrijheid van onderwijs, die door lid 2 van art. 23 wordt gewaarborgd, aan banden te leggen, waarmee wordt bedoeld de vrijheid van natuurlijke of rechtspersonen om onderwijs te geven.

Veeleer gaat de discussie over de vraag of de overheid op grond van lid 5 bij de wet nadere eisen van deugdelijkheid kan en moet stellen aan het bijzondere onderwijs dat op grond van lid 7 naar dezelfde maatstaf als het openbaar onderwijs uit de openbare kas bekostigd wordt. Deze grondwettelijk gewaarborgde gelijke bekostiging van bijzonder onderwijs is onbekend in veel landen, zoals Frankrijk. Bij het stellen van eisen van deugdelijkheid moet de overheid natuurlijk de vrijheid van richting in acht nemen, waaronder de vrijheid van confessionele denominatie wordt begrepen. Het debat moet dus niet gaan over de vrijheid van onderwijs, zoals vaak wordt gesuggereerd, maar over eisen van deugdelijkheid en de vrijheid van richting.

De elegantste oplossing bestaat erin de koehandel van 1917, waarbij de liberalen gedwongen werden overheidsfinanciering van confessioneel onderwijs te aanvaarden in ruil voor het algemeen kiesrecht, waartegen de confessionele partijen bezwaar maakten, ten dele terug te draaien door de gelijke bekostiging van confessioneel onderwijs af te schaffen. Deze oplossing heeft het grote voordeel dat in Nederland een heldere scheiding van kerk en staat in het leven wordt geroepen, zodat het seculiere karakter van de Nederlandse staat ook voor nieuwkomers duidelijk is. Evenals in de Verenigde Staten moet de grondwet dan elke vorm van financiering van scholen op religieuze grondslag verbieden, zodat een `wall of separation between Church and State' wordt opgetrokken, om de woorden van Jefferson te gebruiken. Persoonlijk zou ik deze oplossing de beste vinden, omdat het eindeloze gekrakeel rond islamitische scholen dat bij handhaving van het duale bestel in het verschiet ligt, en dat funest is voor de integratie van moslims in de Nederlandse samenleving, in één klap onmogelijk wordt gemaakt.

Voor deze oplossing pleit ook het feit dat openbare scholen en bijzondere scholen ten gevolge van secularisering, schaalvergroting en verzelfstandiging van openbare scholen, steeds meer op elkaar zijn gaan lijken, zodat het duale stelsel nauwelijks nog bestaansrecht heeft. De overheidsbekostiging van confessionele scholen kan gemakkelijk worden afgeschaft door de bestaande confessionele scholen, die in meerderheid toch al geseculariseerd zijn, de mogelijkheid te bieden zich om te vormen tot op afstand gezette openbare scholen.

De veelgeprezen voordelen van het duale systeem, zoals de mogelijkheid van schoolkeuze door de ouders of een zekere marktwerking, kunnen gehandhaafd worden door ouders een vrije keuze tussen openbare scholen te geven en openbare scholen verder te verzelfstandigen. Tevens komt zo een einde aan de misstand dat sinds lang geseculariseerde confessionele scholen op hypocriete wijze hun religieuze identiteit oppoetsen om allochtone leerlingen te kunnen weigeren.

Wie echter de gelijke bekostiging van confessioneel bijzonder onderwijs wil handhaven en toch met premier Balkenende vreest dat islamitische scholen zullen verworden tot gevangenissen van achterstand, zal nadere eisen van deugdelijkheid aan het bijzonder onderwijs willen stellen. Professor Peters van de Universiteit van Amsterdam betoogde onlangs dat het stellen van dergelijke eisen, ook al zijn ze algemeen geformuleerd, in strijd is met de godsdienstige neutraliteit die de overheid in acht moet nemen, omdat ze met name moslimscholen onevenredig zwaar treffen. Peters verwijst naar het anti-discriminatiebeginsel van art. 1 Grondwet, volgens hetwelk gelijke gevallen gelijk behandeld moeten worden. Hij had ook de vrijheid van richting van art. 23 lid 5 kunnen inroepen.

Op grond van dezelfde artikelen kan men beter het tegendeel beargumenteren. In de eerste plaats heeft de wetgever in art. 23 lid 2 van de Grondwet aan effectief toezicht voorrang gegeven boven de vrijheid van onderwijs en van richting, zodat op grond van lid 5 nadere eisen van deugdelijkheid kunnen worden gesteld mits de vrijheid van richting blijft bestaan. Wat art. 1 betreft kan men opmerken dat moslimscholen juist niet gelijk zijn aan andere confessionele scholen, omdat ze voor bijna honderd procent uit achterstandskinderen bestaan, veelal een kwetsbaar bestuur hebben, en overwegend allochtoon mono-ethnisch zijn. Het gelijkheidsbeginsel en het discriminatieverbod houden dan in dat ethnische segregatie van scholen die achterstanden bestendigen, bestreden moet worden.

Op deze verantwoordelijkheid werd Nederland reeds enkele malen gewezen door het VN Committee for Elimination of all Forms of Racial Discrimination, dat toezicht houdt op de naleving van het gelijknamige verdrag. Het comité is van oordeel dat de witte vlucht en de opkomst van zwarte scholen een segregatie oplevert die met het verdrag in strijd is. Ingevolge van art. 3 van het verdrag heeft Nederland de verplichting om deze vormen van segregatie te beëindigen, ook wanneer ze zich voordoen op het terrein van het bijzondere onderwijs. Dit klemt destemeer omdat de Nederlandse wetgever in art. 7 lid 2 van de Algemene Wet Gelijke Behandeling duidelijk heeft gemaakt dat waar zich een botsing tussen de vrijheid van richting en het discriminatieverbod voordoet, het laatste prevaleert. Tegen deze juridische achtergrond is het verrassend dat minister Van der Hoeven het bestrijden van ethnische segregatie in het onderwijs niet tot haar taak lijkt te rekenen.

Al met al zijn er voldoende gronden om een nieuwe schoolstrijd te ontketenen. Dit is in de eerste plaats een politiek debat over de toekomst van Nederland. Dan helpt het niet een hersenstilstand te krijgen zodra artikel 23 Grondwet ter discussie wordt gesteld, en, kijkend naar het verleden, star vast te houden aan het bestaande onderwijsbestel. Eerder moet men zich afvragen hoe een nieuw onderwijsbestel vorm gegeven kan worden op zodanige wijze dat de Nederlandse rechtsstaat ook in 2030 nog vitaal zal zijn, wanneer in Nederland minstens evenveel moslims zullen wonen als katholieken of protestanten. Een radicaal seculiere staat met een radicaal seculier onderwijsbestel bieden daartoe de beste garanties.

Herman Philipse is universiteitshoogleraar aan de Universiteit Utrecht.