Ook Marokkanen hebben joden gered

`De overheid moet regels stellen'', aldus onderwijsdeskundige Zeki Arslan (NRC Handelsblad, 6 december). Hij geeft daarbij het voorbeeld van Marokkaanse leerlingen die lessen over de holocaust saboteren. Het advies is: stoppen met de les, de betrokken leerlingen apart nemen en eisen dat ouders op school komen.

Hoe gewenst die duidelijkheid ook is, hoe gelijk Zeki Arslan ook heeft, het is de vraag of we er voor dit type problemen zijn met overheidsregels. Immers, stoppen met de les is geen straf maar een succes voor leerlingen, het apart nemen van leerlingen die lessen saboteren gebeurt voor elk incident en ouders op school laten komen en instemming laten geven met behandeling van de holocaust is slechts een principe verklaring waardoor het gedrag van leerlingen nog niet hoeft te veranderen. Daarmee zijn leerlingen niet `om'.

Het gaat er niet om dat leerlingen op de hoogte zijn van wat er is gebeurd tijdens de Tweede Wereldoorlog met joden, maar dat zij die informatie verwerken en daarmee hun eigen positie bepalen. Dat is de achterliggende motivatie om het vak geschiedenis op het curriculum te zetten.

Het nadrukkelijk stellen van regels zal daarin niet helpen. Die overheidsregels bestaan ook voor spijbelen en voor lesuitval. Dat gebeurt toch en nog wel op grote schaal. Het grote verschil met regels om het roken tegen te gaan, een voorbeeld van succesvol regels stellen uit het gesprek met Zeki Arslan, en regels om multiculturele conflicten op scholen te vermijden of op te lossen, is de intensiteit, de emoties en de vermeende verschillen in levensoriëntatie die eraan ten grondslag liggen. Rokers willen wel roken, maar andere mensen geen gezondheidsproblemen bezorgen; er is sprake van een zelfde levensoriëntatie. Aan de basis van culturele conflicten lijken eerder juist wel verschillen in levensoriëntatie te liggen. Van Marokkaanse leerlingen wordt verwacht dat zij zich aanpassen, niet alleen in hun werk en leerhouding maar ook in een algemeen gedeelde levensoriëntatie. In dit voorbeeld is dat de afkeuring van de joodse holocaust.

Maar waarom zijn we zo weinig creatief wanneer het erom gaat oplossingen te zoeken voor problemen in het onderwijs aan allochtone kinderen en waarom gaan we niet uit van overeenkomst in plaats van verschil? Ook moslims en Marokkanen keuren genocide af, en ook moslims en Marokkanen hebben hun bijdrage geleverd aan het voorkomen van jodenvervolging. Het voor Marokkaanse leerlingen meest aansprekende voorbeeld ligt héél dichtbij huis, binnen de Marokkaanse geschiedenis. Sultan Mohammed V, de grootvader van de huidige koning Mohammed VI, heeft voorkomen dat Marokkaanse joden in de Tweede Wereldoorlog uit Marokko zijn weggevoerd, terwijl hij daar als sultan van Frans (bezet) gebied door de Vichy-regering wel opdracht toe had gekregen. ,,De sultan heeft zijn veto uitgesproken over pogingen om de maatregelen van het Vichy-bewind op `zijn' Marokkaanse joden toe te passen.'' (Obdeijn ea., `Geschiedenis van Marokko'). Marokkaanse studenten die aan de Vrije Universiteit Marokkostudies volgden, gaven aan dat dit hen duidelijk heeft gemaakt dat de geschiedenis van joden en Marokko met elkaar verbonden is.

Waarom niet uitgaan van de `eigen' geschiedenis van Marokkaanse leerlingen en van daaruit zoeken naar aansluiting met de Nederlandse geschiedenis. Didactisch gezien is dit helemaal geen bijzondere invalshoek. In de jaren zestig en zeventig was dit hét principe om Nederlandse achterstandsleerlingen mee te krijgen. Maar nu het gaat om allochtone leerlingen lijkt het maatschappelijk ongewenst.

Door met de eigen geschiedenis te beginnen, zullen `ze' zich vast wel niet genoeg aanpassen, zo wordt dan gezegd. Deze redenering verdient heroverweging.

Edien Bartels is antropologe en verbonden aan de afdeling Sociale en Culturele Antropologie van de Vrije Universiteit.

    • Edien Bartels