Migrant lonend voor thuisfront

Migranten uit arme landen sturen jaarlijks miljarden naar de achterblijvers. Vormt die geldstroom de sleutel tot efficiëntere ontwikkelingshulp?

Met schoonmaken en op kinderen passen verdient Gloria (26) per maand ongeveer 800 euro. Omdat ze met andere migranten een appartement in Brussel deelt, kan ze van dat bedrag elke maand wat naar huis sturen – voor haar zoontje van vijf, dat bij haar ouders in Ecuador is achtergebleven. Gloria doet dat via een informeel wisselkantoortje in de stad, dat tien euro commissie rekent voor het versturen van een bedrag tot duizend euro.

Gloria heeft er geen weet van, maar voor bijna iedereen in de westerse wereld die zich met immigratie bezighoudt – ministeries, niet-gouvernementele organisaties en zelfs het bankwezen – zijn haar bescheiden maandelijkse `overboekingen' een hot topic. Sinds de Wereldbank eerder dit jaar met een studie kwam waarin staat dat migranten over de hele wereld in 2002 ten minste 88 miljard dollar naar hun land van herkomst stuurden, regent het conferenties over dit onderwerp. Alleen al vorige week werden er twee gehouden, in Londen en Brussel.

Uit recent onderzoek van internationale instellingen blijkt dat het totale bedrag dat migranten naar huis sturen waarschijnlijk nog twee- tot driemaal hoger ligt dan die 88 miljard: omdat geld sturen via erkende financiële instellingen als banken veel duurder is dan via informele kantoortjes, kiezen de meeste migranten – net als Gloria – de informele weg. En in landen als Somalië en Afghanistan bestáán niet eens banken. Veel transfers halen dus de officiële statistieken niet. ,,Het werkelijke bedrag is zeker 200 miljard per jaar'', zegt Norbert Bielefeld van het World Savings Banks Institute in Brussel. Dat is vijf keer zoveel als alle ontwikkelingshulp die jaarlijks naar arme landen gaat. Overdrachten (remittances) zijn dus big business.

Geen wonder dat zo veel belangenbehartigers en instellingen zich op deze geldstroom storten. Ze zien er politiek of economisch gewin in – of beide. `Immigratie' staat immers bijna overal ter wereld hoog op agenda. Rijke landen proberen desperaat de groeiende instroom af te remmen. Omdat dat niet lukt, oefenen ze steeds meer druk uit op ontwikkelingslanden om die instroom weer beheersbaar te maken. Ontwikkelingslanden, zeggen zij, moeten democratischer worden en minder corrupt, zodat mensen minder redenen hebben om te emigreren.

Ook zouden buurlanden in conflictzones vluchtelingen moeten opvangen, zodat die niet – vaak met behulp van smokkelaars – naar Europa of Amerika doorreizen. Verder zou elk land automatisch illegalen moeten terugnemen die in rijke landen tegen de lamp zijn gelopen. Arme landen kaatsen de bal keihard terug. In ruil voor dit soort `diensten' willen zij geld zien. Zij vinden juist dat rijke landen hén moeten helpen om hun economieën te versterken, zodat mensen niet hoeven te emigreren. Een Marokkaanse minister zei onlangs tegen een Eurocommissaris: ,,U vraagt ons om illegalen terug te nemen? Als u uw torenhoge landbouwsubsidies stopt, zodat onze tomaten eindelijk eens kunnen concurreren op de Europese markt, kunnen we daar misschien over praten.'' [Vervolg OVERDRACHTEN :pagina 6]

OVERDRACHTEN

Migrant helpt in thuisland

[Vervolg van pagina 1] Kortom, beide partijen zijn gebaat bij economische ontwikkeling in de Derde Wereld, maar hebben radicaal verschillende ideeën over hoe dit moet. Overdrachten, ontdekken zij nu allebei, kunnen een sleutel vormen voor de oplossing. Een meer directe vorm van ontwikkelingshulp bestaat er immers niet: anders dan bij hulpprogramma's komt het meeste geld dat migranten naar huis sturen, direct bij de mensen terecht die dat het meest nodig hebben.

Bovendien blijkt uit alle studies dat overdrachten relatief stabiel zijn. Tijdens de financiële crisis in Zuidoost-Azië, eind jaren negentig, daalden de buitenlandse investeringen in die regio scherp – maar het migrantengeld ging gestaag omhoog, net als in andere jaren. ,,We moeten greep krijgen op dat geld'', zegt Judith van Doorn van de internationale arbeidsorganisatie ILO in Genève. ,,Als we mensen kunnen stimuleren om er niet alleen tv's en eten van te kopen, maar een deel ervan te investeren in bedrijfjes of onderwijs, is dat voor alle partijen pure winst.''

In de Verenigde Staten is men verder met dat idee dan in Europa. Grote banken zoals Citibank hebben zich de laatste jaren op de overdrachten van Latino-migranten gestort, omdat ze zagen dat het meer informele circuit van wisselkantoren, postkantoren of hawala (handelskantoortjes die de transfers er voor een kleine commissie bij doen) er zo veel geld aan verdienden. Nu kunnen ook illegalen, gewoon op vertoon van hun paspoort, een rekening openen bij deze banken. Transferkosten, die vroeger tot 15 procent konden oplopen, gingen omlaag. Migranten en hun families krijgen er service die ze elders ontberen, zoals rente, leningen en verzekeringen. De banken werken samen met coöperaties in Latijns Amerika, waar ze mensen zèlf laten beslissen wat er met het geld gebeurt. In sommige dorpen leggen mensen nu een deel van hun geld opzij om een school te bouwen.

Regeringen springen er ook op in. Zo biedt Mexico mensen premies of belastingvoordeel als ze bedrijfjes opzetten met overdrachten. De banken hebben politiek de wind in de rug: na de bomaanslagen van 11 september 2001 scherpte Amerika de wetgeving ten aanzien van de hawala drastisch aan (terreurgroepen zouden via deze kanalen geld over de hele wereld sturen zonder een spoor achter te laten). Migranten kiezen nu massaal voor de zekerheid van het bankwezen.

Migranten in de EU komen uit alle delen van de wereld, en vormen een meer diffuse groep dan in Amerika. Daarbij heeft elk land van de Europese Unie weer andere financiële regelgeving en registratiemethodes, wat grootscheepse actie moeilijker maakt. Maar ook hier worden allerlei betrokkenen nu wakker. De Europese Commissie gaat uitrekenen hoeveel geld migranten vanuit de Europese Unie naar hun land van herkomst sturen. En nu hawala-kantoren in veel steden als paddestoelen uit de grond komen, ontdekken de banken in Europa een groeimarkt die ze tot dusver links hebben laten liggen.

Elke migrantengroep heeft zijn eigen kantoortjes, waar je ook goedkoop naar huis kunt telefoneren, via-via aan werk kunt komen en vrienden kunt ontmoeten. Dit informele circuit wordt ook in Europa aan banden gelegd sinds 2001, vooral in Groot-Brittannië. ,,Wij hebben nu, gedwongen, een money laundering officer in dienst'', zegt Shire Saad, een Somali die voor zo'n kantoor in Londen werkt. ,,We moeten ons overal registreren en onze boeken worden constant geïnspecteerd. Dat is goed, maar het jaagt de kosten van een transfer wel omhoog. Als je verder reguleert, beroof je mensen in arme landen van een cruciaal percentage van hun inkomsten: in Somalië zijn geen banken, dus zonder hawala's komt er geen cent het land binnen''.

Saad vindt het goed dat de wereld het belang van overdrachten ontdekt: het is de reddingsboei voor ontwikkelingslanden. ,,Mensen stimuleren om dit geld niet alleen op te eten maar ook te investeren in de ontwikkeling van hun land, is cruciaal''. Zelf onderhoudt hij vijf families, onder wie twee studenten. Deze jongens wilden aanvankelijk maar één ding: in het Westen studeren en werken. Eéntje zit er nu op een universiteit die deels met migrantengeld is opgezet. ,,Ze kunnen in eigen land hun dromen waarmaken. Over deze twee hoeft de Britse minister van Binnenlandse Zaken voorlopig zich geen zorgen te maken.''

    • Caroline de Gruyter