Dol op vis

De Scheveningse visserszoon Adriaen Coenen portretteerde in de 16de eeuw elk zeewezen dat zijn pad kruiste. Van zijn albums is onlangs een boek verschenen.

Adriaen Coenen had maar één fixatie: de vis. Alles wat hij zag, hoorde of las moest vooral over vissen gaan. Was op een Noordzee-strand een walvis aangespoeld, je kon er gif op innemen dat Coenen er bovenop zat. Lag er een octopus of schildpad op de Scheveningse markt, Coenen kocht het beest meteen en liet er bij een schilder een portret van maken. En als er geruchten gingen over slangen die uit Noorse wateren opdoken om vee te verslinden of roeivolk de diepte in te sleuren, ook dan wilde Coenen er alles over weten.

De Scheveningse visserszoon Coenen (1514-1587) was één van de velen die in de 16de eeuw verbijsterd konden raken over de organische rariteiten die verre zeeën prijsgaven. En daar bleef het niet bij; hij deed ook echt iets met die verbijstering. Hij beschreef en portretteerde elke vissensoort die in woord of werkelijkheid zijn pad kruiste. Twee van zijn drie albums bleven bewaard – in de Koninklijke Bibliotheek in Den Haag en bij de Koninklijke Maatschappij voor Dierkunde in Antwerpen. Op basis van dat laatste, tweedelige exemplaar is nu Het Walvisboek (1585) verschenen – met ruim honderd kleurenreproducties van zijn met aquarelverf getinte tekeningen en, links, de hertaalde tekst plus toelichting.

Het Walvisboek is een begeerlijk boek. Niet omdat Coenen knap tekende, want dat deed hij niet. Maar omdat elk blad laat zien hoe kinderlijk nieuwsgierig, leergierig, gedreven en, op zijn manier, perfectionistisch hij in de weer was. In gedachten zie je hem gebogen over zijn tafel zwoegen om de potswallen (potvissen), de zeekatten (octopussen) en de zeenetelen (kwallen) zo waarheidsgetrouw mogelijk af te beelden.

Coenen trof als strandjutter soms zelf de `monsters' aan. Op de visafslag waar hij veilingmeester was beluisterde hij het visserslatijn. En kwam hij er niet uit, dan leende hij een boek bij mensen die er wél voor geleerd hadden. Al die gegevens over steeds één enkele soort moesten dan op één blad in tekst en beeld samenkomen. Neem nu het waterpaard (nijlpaard), `een monster uit de Oriënt', zo wordt Aristoteles geciteerd, met `haar als een paard, gespleten voeten als een koe en een staart als een varken'. Zijn vel is zo dik en hard, had Plinius op zijn beurt geschreven, `dat men het kan gebruiken als bewapening' – ja, een praktische toepassing die alleen een Romeins geleerde kon verzinnen.

In de lezenswaardige inleiding van het boek tekent zich de onrustige tijd af waarin Coenen leefde. Executies, godsdiensgedonder, beeldenstorm, Spaanse bezetters – je begrijpt waarom menigeen naar de hemel verlangde. Die Spanjaarden roofden zelfs de opgezette haai uit Coenens huis.

Tussen de levensecht geportretteerde walvissen, maanvissen en tonijnen kom je nogal wat zeemalloten tegen. Meermannen, meerminnen en een mensenverslindende kreeft die tussen zijn kaken een slachtoffer kraakt ter grootte van een takje zeewier, om de verhouding monster-mens even aan te scherpen.

De achtergrond van elk blad is zacht paars-roze gekleurd, de sierranden in oker en de her en der geplaatste tekstblokjes kregen net als in de strip van nu een kadertje. Mooi is de uitdrukking `die vissen trekken om de bruid' – als Coenen scholen walvissen langs de Hollandse kust voorbij zag spuiten op weg naar hun paringsplek. Maar hij laafde zich net zo graag aan vissenkolder, misschien om er eens goed op los te fantaseren. Zo spookt er een zeemonnik in het boek rond, mét mijter en bisschoppelijke attributen, en een opgedoken `wilde vrouw', die naakt en overdekt met aangroeisels als attractie in Haarlem tentoongesteld zou zijn.

Menig beest kan model staan voor de bevolking die Brueghel en Jeroen Bosch in de hel lokaliseerden: grimmige bekken, met `tongen als biertonnen', gruwelijke klauwen en drakenruggen waar witte haaien in een boog omheen zwemmen. Omdat Coenen zijn persoonlijke belevenissen en ontmoetingen koppelde aan al die bizarre wetenswaardigheden, valt er ook nog wat te leren over de rangen en standen van zijn tijd en de biologische kennis die al in omloop was. Als `gewone' man had hij er vast niet van durven dromen ruim drie eeuwen later in zo'n oplage te debuteren.

Florike Egmond, Peter Mason en Kees Lankester: Het Walvisboek; Walvissen en andere zeewezens beschreven door Adriaen Coenen in 1585. Walburg Pers, 208 blz. euro 39,50

    • Marianne Vermeijden