De krach van 2004

Met de jaarwisseling in zicht staat vast dat 2003 in economisch opzicht een beroerd jaar is geworden. De productie in Nederland is met bijna 1 procent gekrompen. Ook het met de nationale productie verdiende inkomen nam dus af. Desondanks zagen veel werknemers hun koopkracht nog wat toenemen. Hun koopkrachtverbetering ging ten koste van de winst van de onderneming waar zij op de loonlijst staan. Geen wonder, dat Nederlandse aandelen het afgelopen jaar door de bank genomen niet in koers zijn gestegen. De Amsterdamse beurs heeft een stuk minder gepresteerd dan die van Brussel, Frankfurt en Parijs.

Gisteren werd bekend dat ondernemers uitgesproken pessimistisch zijn over de vooruitzichten voor het komend jaar. De afgesproken loonmatiging geeft weliswaar uitzicht op een bescheiden winstherstel in 2004, maar het afzetperspectief blijft somber. De binnenlandse vraag naar goederen – van gezinnen, bedrijven en de overheid – groeit nauwelijks. Door loonmatiging en bezuinigingen op de uitkeringen hebben gezinnen weinig extra te besteden. Orders van bedrijven met investeringsplannen komen niet los.

De bestellingen van de overheid vallen terug door de bezuinigingen. Het economisch herstel moet primair van de vraag van buitenlandse klanten komen.

Onze internationale concurrentiepositie is echter aangetast. Niet alleen doordat de loonkosten hier in verhouding nog altijd hoog zijn. Onze exporteurs zijn erg gericht op afzetmarkten elders in de Europese Unie, en daar kwakkelt de economie ook. De uitvoer naar afnemers buiten het eurogebied wordt belemmerd door de sterke stijging van de euro ten opzichte van de dollar. De industrie in de eurolanden verliest wereldwijd marktaandeel, vooral wanneer de dollar in 2004 nóg goedkoper wordt.

Dat laatste zit er dik in. Op het ogenblik trekt de Amerikaanse locomotief de rest van de wereldeconomie voort. Het prille herstel in Europa en Japan hangt in belangrijke mate af van aantrekkende export naar de Verenigde Staten. De spectaculaire groei in China (met 8 procent per jaar) wordt eveneens gedreven door verkopen aan de VS. De Amerikanen voeren veel meer in uit de rest van de wereld dan zij met hun uitvoer verdienen. Het gevolg is een tekort op de lopende rekening van hun betalingsbalans. Dat tekort bedraagt dit jaar meer dan 500 miljard dollar. Om het aan te zuiveren, moet de rest van de wereld iedere dag meer dan 1,5 miljard dollar aan besparingen naar de VS exporteren. Die kapitaaluitvoer vormt als het ware de brandstof waarop de Amerikaanse locomotief voortdendert.

Kapitaalexport vindt plaats doordat Japanners, Chinezen en Europeanen aandelen in Amerikaanse bedrijven kopen of beleggen in obligaties die zijn uitgegeven door Uncle Sam. Sinds enkele maanden lijkt deze kapitaalstroom op te drogen. Japanse pensioenfondsen en de Chinese centrale bank realiseren zich dat door de daling van de dollarkoers beleggingen in de VS nauwelijks rendabel zijn. Dat geldt ook voor Nederlandse beleggers, die Amerikaanse aandelen hebben gekocht. In dollars zijn hun aandelen sinds het begin van dit jaar ongeveer 20 procent in waarde gestegen, maar gecorrigeerd voor de waardedaling van de dollar rendeert hun belegging nauwelijks beter dan die van een mandje Nederlandse aandelen.

Naarmate de VS minder langlopend kapitaal van beleggers weten aan te trekken, door aandelen en obligaties aan de rest van de wereld te verkopen, wordt een groter deel van het tekort op de Amerikaanse lopende rekening afgedekt met `flitskapitaal', in de vorm van handelskrediet, kortlopende bankleningen en deposito's. Dat maakt de Amerikaanse economie in toenemende mate kwetsbaar. Trekken de verschaffers van flitskapitaal zich plotseling terug, dan zal de Amerikaanse centrale bank (de Fed) de rente moeten verhogen om wantrouwende beleggers over de streep te trekken. Net zo zullen beleggers in Amerikaanse effecten een hoger effectief rendement eisen.

Die renteverhogingen betekenen in 2004 de nekslag voor de Amerikaanse economie. Gezinnen daar zitten tot aan hun nek in de schulden en kunnen minder besteden wanneer hun rentelast stijgt. Het gat in de overheidsbegroting (een tekort van 500 miljard dollar) neemt verder toe, omdat meer geld nodig is voor rentevergoeding over de staatsschuld. Dit maakt belastingverzwaring of extra bezuinigingen nodig, wat eveneens een domper zet op de economische ontwikkeling. In dit scenario verliest de Amerikaanse locomotief trekkracht door gebrek aan brandstof in de vorm van goedkoop buitenlands krediet.

Een land met aanhoudende omvangrijke tekorten op de lopende rekening van zijn betalingsbalans ziet op den duur zijn munt in waarde dalen. Hierdoor wordt de euro volgend jaar in verhouding tot de dollar nog duurder. Europese exporteurs zien hun afzetkansen bedreigd door zowel de teruglopende invoer uit de VS als door de dure euro. Het gevolg kan aan beide zijden van de oceaan in 2004 een economisch krach zijn. Dit zwartgallige scenario wordt werkelijkheid, wanneer beleggers massaal hun vertrouwen in de dollar verliezen. Alleen zolang andere landen een belangrijk deel van hun nationale besparingen als brandstof leveren, kunnen de Amerikanen boven hun stand blijven leven en onze economie het komend jaar uit het dal trekken.