Veelkleurig Rotterdam staat op springen

De gemeente Rotterdam moet initiatieven van migranten steunen, maar ook duidelijk maken dat aan die steun voorwaarden zijn verbonden, betogen Gabriël van den Brink en Dick de Ruijter op basis van eigen onderzoek.

Inburgering en sociaal-culturele verschillen: lang is ontkend dat de laatste een belemmering vormden voor het eerste. Als er al problemen waren dan vloeiden die voort uit sociaal-economische achterstanden. De verschillen op sociaal-cultureel gebied moesten gerelativeerd worden en progressief Nederland wilde zeker niet de eigen normen aan migranten opleggen. Het funeste gevolg van die houding was dat een hele generatie allochtonen onvoldoende werd aangezet om zich een eigen plaats in de Nederlandse samenleving te veroveren. Maar na 11 september 2001 sloeg de stemming om en ging men sociaal-culturele verschillen als hoofdoorzaak van alle moeilijkheden zien.

De omslag van de ene naar de andere houding was het scherpst in Rotterdam. Deze stad liet zich jarenlang voorstaan op haar veelkleurigheid, maar ze haalt de laatste tijd vooral wegens een aantal straffe maatregelen het nieuws. Ze wordt heen en weer geslingerd tussen repressie en begrip, met als opmerkelijk gegeven dat de migranten zelf in het hele debat nauwelijks een rol spelen.

Daarom is een nieuwe strategie nodig: de strategie van incorporatie. Die behelst dat enerzijds de stedelijke overheid het eigen initiatief van migranten zoveel mogelijk moet bevorderen. Anderzijds moet zij deze initiatieven toetsen aan de normen die in de Nederlandse geschiedenis dominant zijn en door een meerderheid van de bevolking aanvaard worden.

Het eerste element betekent onder meer het bevorderen van zelfstandig ondernemerschap. Maar ook het waarderen en stimuleren van een actieve houding op sociaal gebied. Er zijn in Rotterdam talloze migranten werkzaam in het bestuur van de moskee, als buurtvaders, in het begeleiden van jongeren met hun huiswerk, als vrijwilliger op sportgebied, in de besturen van school of culturele vereniging. Er beginnen migranten op te staan die zich in het publieke debat mengen of politiek actief worden.

Met andere woorden: er gebeurt in Rotterdam enorm veel, maar zonder dat het zichtbaar wordt in termen van burgerschap. De gemeente zou die activiteiten niet alleen moeten inventariseren, maar ook openlijk waarderen en bevorderen. Zij kan veel bewuster op jacht gaan naar talenten die economisch, sociaal of cultureel iets voor de stad willen betekenen. Zij kan ook een groter aantal gekwalificeerde migranten opnemen in haar eigen personeelsbestand. Werken bij de gemeente is nog te zeer een autochtone zaak, zeker in de hogere bestuurslagen.

Daarnaast zou het goed zijn wanneer de eigen emancipatoire organisaties ondersteund worden. Hun emancipatie is weliswaar geen taak voor de overheid of haar professionals. Maar de overheid kan wel helpen door de organisatie van migranten te bevorderen. Dat betekent dat contacten met personen en migrantenorganisaties geïntensiveerd worden. Dat kan moeilijk vanachter het bureau. Men moet de stad in, het gesprek aanknopen met alle migranten die hun handen uit de mouwen steken. Van de Turkse bakker tot de directeur van het onderwijsinternaat, van het buurtcentrum tot de islamitische universiteit.

Het tweede element van de strategie van incorporatie houdt in dat de overheid duidelijke voorwaarden aan deze steun verbindt. Zo moeten migranten de Nederlandse rechtsstaat aanvaarden. Daarbij moet men zich niet alleen aan de letter van de wet houden (legaliteit) maar ook aan de normen van onze rechtscultuur (loyaliteit). Daartoe behoren zaken als gelijkwaardigheid van man en vrouw, respect voor lichamelijke integriteit, vrijheid van meningsuiting, democratische besluitvorming etc.

Verder mag de overheid een grote mate van zelfredzaamheid eisen, zowel voor individuele burgers als voor organisaties. Deze moeten een gezonde financiële basis hebben en er moet toezicht op de begroting zijn. Eventuele problemen moet men via extra coaching of opleiding aanpakken. Ten derde moet worden vastgesteld wat het bereik van de desbetreffende initiatieven en organisaties is. Welk deel van de achterban wordt daadwerkelijk bereikt? Kan dat aandeel worden uitgebreid? Zijn er voldoende contacten met andersdenkenden? In het geval van subsidies kan de overheid een termijn stellen waarbinnen de bijdrage aan actief burgerschap beoordeeld wordt.

Ten slotte zouden migranten intensiever en ook vrijer moeten deelnemen aan het maatschappelijk debat. Op dit punt valt in Rotterdam nog heel wat te verbeteren. Er zijn verschillende groepen die elkaar bittere verwijten maken, zonder dat dat openlijk besproken wordt. Vele autochtone Rotterdammers zijn ervan overtuigd dat migranten zich niet willen aanpassen en een hoop overlast veroorzaken. De migranten van hun kant klagen erover dat Nederland hen niet wil opnemen en dat hun pogingen om mee te doen onvoldoende gewaardeerd worden. Hoog tijd dus voor een stedelijk debat waar deze bezwaren onomfloerst te berde worden gebracht.

Hoewel iedereen – ook in allochtone kring – weet dat men zich als burger aan de regels van het recht te houden heeft en de noodzaak erkent om voluit deel te nemen aan arbeidsmarkt en onderwijs, gaapt een grote kloof tussen deze erkenning en de praktijk. Er zijn relatief veel allochtonen die met de politie in aanraking komen, hun schoolopleiding niet afmaken of leven van een uitkering. Om dat probleem op te lossen is een gerichte inspanning van scholen, bedrijven, stedelijke overheid én migranten noodzakelijk.

Maar ook als men eenmaal een woning, een baan en een schooldiploma heeft, gaat inburgering niet vanzelf. Uit gesprekken die wij in Rotterdam met diverse allochtone groeperingen gevoerd hebben, is gebleken dat een tijdbom tikt waarvan de `brandstof' onder meer bestaat uit religieuze en normatieve tegenstellingen. Het spreekt allerminst voor zich dat migranten de Nederlandse normen serieus nemen. Veel allochtonen trekken zich mentaal of sociaal terug en vatten hun burgerschap op een instrumentele wijze op. Ze hebben het Nederlandse paspoort weliswaar op zak maar richten hun innerlijk kompas op een ander werelddeel. Dat is een gevaarlijke situatie, die een gericht beleid in plaats van dwang vereist. Dwang werkt averechts.

Het beste beleid is dat migranten actiever betrokken worden bij het politieke, intellectuele en culturele leven van de stad. Het gaat er niet om dat iedereen hetzelfde wordt, maar voorkomen moet worden dat mensen op grond van hun verschillen met de rug naar elkaar gaan staan. In die zin is het in Rotterdam de hoogste tijd om te beginnen met een harde, maar eerlijke gedachtewisseling.

Gabriël van den Brink is onderzoeker bij het Nederlands Instituut voor Zorg en Welzijn (NIZW). Dick de Ruijter is zelfstandig beleidsadviseur. Ze zijn auteurs van het rapport `Marginaal of modern?', dat vanmiddag is aangeboden aan de Rotterdamse wethouder van Sociale Zaken.