Uithuilen en opnieuw beginnen

Als gevolg van de economische teruggang stijgt het aantal faillissementen. Welke obstakels komen ondernemers tegen als ze daarna opnieuw willen beginnen? En hoe groot is de zakelijke en psychische pijn?

Op het eerste gezicht lijkt het of alles bij het oude is gebleven. Nog geen twee weken nadat zijn transportbedrijf in 2001 failliet ging, was Theo van Es weer directeur. Van zijn oude bedrijf, dat door een concurrent was gekocht van de curator. ,,Zij wilden het bedrijf alleen hebben als ik zou blijven'', zegt Van Es. Hij wilde eigenlijk niet. Het omvallen van het bedrijf dat hij in 1978 was begonnen, had hem te veel aangegrepen. ,,Ik ga niet zeggen dat het een kind van je is, maar het is wel erg dichtbij.'' Maar hij had geen keuze. ,,Je hebt toch veertig man personeel die van jou afhankelijk zijn. Die laat je niet zakken als er een mogelijkheid is om door te gaan. Dan is het uithuilen en opnieuw beginnen.''

Het bedrijf van Theo van Es is een van de ruim 8.000 bedrijven die in 2001 eindigden in een faillissement. Het aantal faillissementen stijgt sinds 2000 weer: dit jaar bijna 30 procent meer dan vorig jaar. Oorzaak is de neergang van de technologiemarkt en de economische malaise. Voor veel mensen kleeft aan het faillissement de kwalijke geur van verwijtbaar falen door de ondernemer. Dat is niet overal zo. In de VS bijvoorbeeld wordt het meer als bijproduct van ondernemerschap gezien. Welke invloed heeft een faillissement op de loopbaan van de failliet? Ofwel: is er leven na een faillissement?

Theo van Es heeft aan den lijve ondervonden dat het moeilijk is om na een faillissement weer als ondernemer van start te gaan. Hij wilde zijn in vervoer op Engeland gespecialiseerde transportbedrijf Nippress Continental na het faillissement zelf voortzetten, vooral uit verantwoordelijkheidsgevoel voor de werknemers. Het bedrijf was een gezond onderdeel van een grotere transportgroep waarvan hij mede-eigenaar was. Een charterdienst op de Falkland-eilanden, eveneens onderdeel van de transportgroep, was de voornaamste oorzaak van het debacle. ,,Er zijn veel Engelse militairen weggegaan daar, omdat ze troepen in Bosnië moesten aflossen'', zegt Van Es. ,,De verliezen op die lijn werden bij mijn bedrijf weggehaald.''

Van Es kreeg nul op rekest bij de banken, die hij nodig had voor de doorstart. ,,Ik denk omdat ik directeur was van een failliete onderneming.'' Van Es is bij zijn oude bedrijf in loondienst gegaan. Hij is nog wel directeur, maar geen aandeelhouder meer. ,,Ik ben voorzichtiger geworden.''

Uit de statistieken blijkt dat een groot deel van de ondernemers die failliet zijn gegaan, in loondienst gaat werken. Ongeveer eenderde begint weer een eigen bedrijf. Advocaat en curator Jurjen Lemstra van Pels Rijcken & Droogleever Fortuijn legt uit waarom dat niet eenvoudig is. Hij maakt allereerst onderscheid tussen privé-personen die failliet gaan, en rechtspersonen. Voor privé-personen bestaat er sinds vier jaar de schuldsanering: een eenvoudig soort faillissement, waarmee mensen binnen drie jaar van hun schulden af zijn, als ze zich tenminste houden aan de afspraken met hun bewindvoerder over het saneringsplan. De rechtbanken kunnen de enorme aantallen schuldsaneringen nauwelijks aan: het waren er bijna 10.000 in 2002. Ongeveer een kwart van alle schuldsaneringen betreft kleine bedrijven, zoals eenmansbedrijfjes en vennootschappen onder firma. ,,Die mensen hebben echt niets meer. Die zitten privé en zakelijk financieel aan de grond'', zegt Lemstra.

Dat is anders bij bedrijven in een vennootschap die failliet gaan, wat het meeste voorkomt. ,,Daar zie je veel dat de aandeelhouder en de bestuurder van de vennootschap dezelfde persoon is, de klassieke `directeur-grootaandeelhouder''' (DGA). Die heeft theoretisch niet veel last van een faillissement, legt Lemstra uit. ,,Hij is alleen zijn investering kwijt.'' Dat beperkte risico is nu juist de bedoeling van een vennootschap. Dus de directeur kan zo weer opnieuw beginnen? ,,Nee, zo eenvoudig is het niet.'' Lemstra somt de obstakels op voor de DGA die een nieuwe onderneming wil beginnen. Vaak zit een DGA na faillissement, ondanks de bescherming van een vennootschap, toch aan de grond, omdat hij zich persoonlijk borg heeft gesteld voor de schulden van de vennootschap om een bankkrediet te kunnen krijgen. Dat betekent dat de bank na faillissement zijn geld niet alleen bij de vennootschap, maar ook bij de bestuurder gaat halen. ,,Dat doet privé ook pijn. Zo'n man moet bijvoorbeeld zijn huis verkopen. Het is geen uitzondering dat ze in de bijstand terechtkomen.''

Voor degene die een nieuwe onderneming wil beginnen, is het lastiger om een besloten vennootschap op te richten. Het ministerie van Justitie moet toestemming geven voor de oprichting en een eerder faillissement betekent extra vragen en vertraging. Een brief van de curator kan helpen. ,,Ik schrijf regelmatig een brief dat die-en-die bestuurder niet verwijtbaar heeft gehandeld. Dan krijgt hij wel toestemming, maar met vertraging'', zegt Lemstra. Ook aan financiers schrijft hij wel eens zo'n brief. ,,Dat komt minder vaak voor. Maar bestuurders die bij een failliete onderneming betrokken waren, kunnen daarna vaak minder makkelijk krediet krijgen bij een bank.''

Het meest ingrijpend is als de bestuurder persoonlijk aansprakelijk gesteld wordt voor het faillissement. ,,De curator moet de oorzaken van het faillissement onderzoeken'', zegt Lemstra. ,,Hij komt op voor iedereen die nog geld krijgt van de vennootschap.'' Vaak is daar niets meer te halen, zeker niet nadat de schuldeisers met voorrang zijn betaald, zoals de belastingdienst en de bedrijfsvereniging. ,,Als het faillissement aan de bestuurder te verwijten is, omdat hij zijn taak onbehoorlijk heeft uitgevoerd, kan de curator hem aansprakelijk stellen.''

Volgens advocaat Jan-Kees Houthoff van kantoor Houthoff Mijnssen, al ruim 25 jaar curator, zijn er grofweg drie soorten failliete ondernemers: ,,Je hebt de echte boef''. Vaak valt hun wel iets te verwijten, maar zorgen ze dat er bij hen persoonlijk niets te halen is. ,,En Justitie staat niet te trappelen om die gevallen van faillissementsfraude te onderzoeken.'' Dan is er nog de goedwillende ondernemer die slordig is met formaliteiten. Als de jaarstukken niet op tijd zijn gedeponeerd of de administratie niet op orde is, staat vast dat er wanbeleid is. De curator onderzoekt dan of dat wanbeleid een belangrijke oorzaak is voor het faillissement.

Tot slot is er de hardwerkende man die niets te verwijten valt en die door externe omstandigheden, zoals de ondergang van een grote afnemer, failliet gaat. Houthoff schetst een tragisch beeld. ,,De brave man moddert te lang door omdat hij faillissement een blamage vindt en hij zich verantwoordelijk voelt voor zijn personeel. Hij heeft maandenlang ellende: leveranciers willen niet meer leveren op krediet, zijn debiteuren betalen niet meer omdat ze het faillissement verwachten en de bank wil geld zien. In zo'n geval is het faillissement paradoxaal genoeg ook een opluchting.'' Maar, voegt Houthoff toe, ,,er is bijna geen failliet die niet iets te verwijten valt''.

Zo bezien is Theo van Es van het transportbedrijf er nog niet zo slecht vanaf gekomen. Zijn investering is hij kwijt, maar hij is niet persoonlijk failliet gegaan en ook zijn pensioen zat niet in het bedrijf. Dat was anders voor Albin Pfeifer, wiens handelsonderneming Sembodja anderhalf jaar geleden failliet ging. Hij had zijn hele vermogen – inclusief pensioen – in de chemicaliënhandel gestopt toen hij het bedrijf in 1991 in een management-buy out overnam van Van Ommeren. Daarnaast stond niet alleen hij, maar ook een aantal familieleden borg voor de bankkredieten. Het ging fout toen een grote klant niet meer kon afnemen. ,,Ik zat na een tijd met 3,5 miljoen euro aan incourante voorraden. Dan bloed je vanzelf dood.''

Voor Pfeifer kwam het faillissement niet als een opluchting. ,,Je hele wereld stort in. Je bent alles kwijt: het geld van de familie, mijn pensioen. Weg'', vertelt Pfeifer. Het huis waar hij met zijn gezin woont, is van zijn vrouw. ,,Dus we hoefden gelukkig niet te verhuizen.''

Loondienst was geen optie voor Pfeifer. Daar is hij niet voor in de wieg gelegd. ,,Maar je inkomsten na faillissement zijn echt nul. Dat maakt toch wel paniekerig'', vertelt hij vanaf de zolderkamer van zijn huis die nu als kantoor dienst doet. Hij redeneerde als volgt: ik ben 52 jaar, ik heb niets meer en ik heb tien jaar de tijd om mijn vermogenspositie op te bouwen, vooral mijn pensioen. ,,En dat kan niet in loondienst, dat kan alleen als ondernemer.'' Van een vriend heeft hij startkapitaal geleend – bij de bank hoefde hij niet aan te komen – en een deel van zijn oude onderneming teruggekocht van de bank en de curator; de voorraden, en vooral de nog openstaande vorderingen die het bedrijf had toen het failliet ging. ,,Die waren voor de bank niet veel waard, maar ik wist zeker dat ik die nog wel kon innen. Ik ken de schuldenaars en ik heb tien jaar de tijd.'' Hij omzeilde de problemen met het oprichten van een vennootschap door een bestaande vennootschap zonder activiteiten, een zogenaamde `lege BV' kopen.

Nu, anderhalf jaar na het faillissement, begint zijn zaak voorzichtig weer te lopen. De belangrijkste leveranciers zijn gebleven. Ze hebben geaccepteerd dat ze hun vorderingen van vóór het faillissement kwijt zijn. ,,In Nederland is driekwart afgehaakt, maar met de grootste, Oost-Europese leveranciers doe ik gewoon weer zaken.''

Pfeifer somt de factoren op die voor hem het leven na faillissement mogelijk hebben gemaakt: goede adviseurs (,,was niet goedkoop, ben ze nog steeds aan het afbetalen, maar ze waren het waard''), een goede curator (,,Houthoff was streng maar integer'') en een stabiel familieleven (,,Je ziet veel faillieten waarvan ook het hele gezinsleven naar de knoppen gaat''). En het stigma? ,,Dat is in Nederland vrij sterk.'' Pfeifer vertelt over een feestje waar hij vertelde dat hij failliet was gegaan. ,,Het werd opeens heel stil en toen bekende iemand dat hij ook drie jaar geleden failliet was gegaan. Dat wist helemaal niemand daar.''

Curator Houthoff kan er kort over zijn. ,,Als er in het faillissement niets mis is, is het absoluut geen schande om failliet te gaan.''

    • Elsje Jorritsma