Rijken minder gesubsidieerd

De hoogste inkomensgroepen zijn in de jaren negentig minder gaan profiteren van overheidsvoorzieningen, en de laagste inkomensgroepen meer. De middengroepen profiteren het minst.

Dat concludeert het Sociaal en Cultureel Planbureau (SCP) in het vandaag gepubliceerde rapport Profijt van de overheid: de personele verdeling van gebonden overheidsuitgaven en -inkomsten in 1999.

Het SCP heeft onderzocht hoe in 1999 de inkomsten en uitgaven van de overheid verdeeld werden over de verschillende inkomensgroepen. De onderzoekers kozen voor 1999, omdat dit het laatste jaar was waarover volledig cijfermateriaal beschikbaar was. Het SCP maakte soortgelijke rapporten over 1977, 1983 en 1991. De onderzoekers hebben de uitgaven voor sociale zekerheid, de inkomstenbelasting en de sociale premies niet meegeteld, omdat die al in het besteedbaar inkomen zijn verrekend.

De overheid besteedde in 1999 32 miljard euro aan voorzieningen voor de burger, zoals onderwijs, cultuur, vervoer, huursubsidie en hypotheekrenteaftrek. De hoogste inkomens profiteerden daarvan het meest; zij ontvingen samen 28 procent van dit bedrag. In 1991 was dat echter nog 31 procent. Het SCP constateert dat er een verschuiving heeft plaatsgevonden ten gunste van de laagste inkomens. Die ontvingen in 1999 samen 22 procent van de overheidsuitgaven, 7 procent meer dan in 1991.

De middeninkomens, die er voor 1999 ook al `bekaaid' afkwamen, zagen hun profijt verder dalen: van 19 procent in 1991 naar 16 procent in 1999. Zij ontvangen minder huursubsidie dan de laagste inkomens en profiteren tegelijkertijd minder van de fiscaal gunstige behandeling van de eigen woning dan de hoge inkomens.

Het gemiddelde profijt per huishouden bedroeg in 1999 3.900 euro. In de hoogste inkomensgroep was dit 5.000 euro.

De uitgaven van de overheid hebben een nivellerende invloed op de inkomensverhoudingen, maar heffingen zoals de BTW, accijns en onroerendezaakbelasting (in totaal 30 miljard euro in 1999) hebben een denivellerende invloed. Per saldo hebben de uitgaven en de heffingen van de overheid dus nauwelijks invloed op de inkomensongelijkheid.