Egyptische kunst uit Eton College

Een goud beschilderd dodenmasker met grote, donkere ogen staart de bezoeker aan bij het betreden van de tentoonstelling De kleine meesterwerken van Egypte. Het houten masker is een fragment van de mummiekist van Amenhotep, opperarchitect onder farao Thoetmisis III, die stierf omstreeks 1425 v.Chr.

De fraai bewerkte kop is een van mooiste stukken van de tentoonstelling in het Rijksmuseum van Oudheden in Leiden, waar 214 archeologische voorwerpen te zien zijn uit het Myers Museum in het Engelse Eton College. De meeste voorwerpen zijn klein, zo klein dat er soms een vergrootglas aan te pas moet komen om het vakmanschap van de kunstenaars te bewonderen. Ze zijn gemaakt over een periode van bijna 4.000 jaar, de oudste dateren van circa 3500 v.Chr. Tot de jongste horen levensecht geschilderde mummieportretten van Romeinen uit de tijd van de Romeinse overheersing.

De collectie is chronologisch in één ruimte ondergebracht, die mooi is vormgegeven door Wim Crouwel, voormalig directeur van Museum Boijmans Van Beuningen. In sfeervol verlichte vitrinezuilen zijn de beeldjes van goden en dieren, sieraden, amuletten, scarabeeën en ceremoniële voorwerpen van vier kanten te bewonderen. Spiegelzuilen geven een extra ruimtelijk gevoel. Een audiotour zorgt voor interessante aanvullende informatie.

De collectie is opgebouwd door majoor William Joseph Myers (1858-1899), oud-leerling van de vermaarde Britse jongensschool Eton College. Als legerofficier kwam hij, kort na de bezetting door de Engelsen, in 1882 in Egypte aan. Hij werd er gegrepen door de grafvondsten waarnaar in die tijd door jan en alleman koortsachtig werd gegraven. Er werd vrijelijk in gehandeld en van een exportverbod was nog geen sprake. Myers begon te verzamelen met hulp van de Duitse archeoloog Emile Brugsch, destijds werkzaam bij het Bulaq Museum (nu Egyptisch Museum) in Kairo. Hij verzamelde niet systematisch, maar kocht wat hij mooi vond: luxe gebruiksvoorwerpen uit het dagelijks leven, en sacrale voorwerpen die een functie hadden in de tempel- en grafcultus. Hij lette daarbij vooral op kleur en perfectie.

Uit de expositie blijkt dat Myers een voorkeur had voor Egyptische faience met de – nu nog steeds – opvallende blauw-groene kleur en het glanzend oppervlak. Faience was een mengsel van kwartszand, zout, kalk en fijngemalen kopererts, dat op zeer hoge temperatuur werd gebakken. Een van de beeldjes, een 13 cm hoge voorstelling van de god Toth met ibiskop (ca. 600 v.Chr), wordt beschouwd als het mooiste voorbeeld van laat-Egyptische faiencekunst dat bekend is.

Bijzonder zijn ook de `moerasschalen', beschilderd met motieven die zijn ontleend aan de flora en fauna van de Nijlmoerassen en met vruchtbaarheid als thema. Op een van de schalen zwemmen vier nijlbaarzen rond een vijver, ieder met een lotusknop in de bek. Nijlbaarzen broeden hun eitjes uit in hun bek en waren daarom een geliefd symbool van wedergeboorte.

Niet alleen de faience, ook beeldjes van leem, brons, speksteen en het in het oude Egypte zeer kostbare hout konden de majoor bekoren. Een fraai voorbeeld is een houten beeldje van een oude man (ca. 1825 v.Chr.) met een karakteristieke kop, waarbij de houtnerven de lichaamsvormen volgen.

Myers liet zijn verzameling, die al tijdens zijn leven beroemd werd, na aan Eton College in de hoop dat de leerlingen erdoor geïnspireerd zouden raken. Daar, waar hij volgens zijn zeggen ,,de gelukkigste jaren van zijn leven'' doorbracht, zijn de objecten in vitrines tentoongesteld. Ze zijn nu voor het eerst naar het Europese vasteland gereisd.

Tentoonstelling: De kleine meesterwerken van Egypte. Rijksmuseum van Oudheden, Rapenburg 28, Leiden. T/m 29/2. Open di-vr 10-17u, za-zo en feestdagen 12-17u. 25 dec en 1 jan gesloten. Cat. 80 blz. (Engelstalig) €14,50. Inl. tel. (0900)6600600

of www.rmo.nl