De wereld na Saddam

Saddam Hussein moet door de Irakezen zelf worden berecht, zei president Bush, met een opmerkelijke terughoudendheid. In een openbaar proces, gevoerd onder zorgvuldige internationale controle (scrutiny). Dat laatste is vanzelfsprekend; het eerste niet per se noodzakelijk. Het oorlogstribunaal in Neurenberg dat nazi-kopstukken heeft veroordeeld, bestond uit geallieerde rechters. Nu, in Den Haag, staan de Joegoslavische verdachten voor een internationale rechtbank. Het Iraakse volk heeft het meest geleden onder zijn dictator, maar het is het enige niet. De Iraniërs hebben ook ervaring, uit de oorlog met Irak, van 1980 tot 1988. Koeweit weet zich de oorlog van 1990-'91 te herinneren. Het zou dus redelijk zijn ook een vertegenwoordiger uit Iran, Koeweit en de Coalitie voor dit strafhof te benoemen. De rest bestaat dan uit Koerden, soennieten en shi'ieten. Het geheel onder auspiciën van de Verenigde Naties. Of is dat te ingewikkeld? Zal het in Irak de indruk van een voortgezette buitenlandse inmenging geven en dus opnieuw verzet wekken? Nog meer politieke complicaties kunnen we niet gebruiken. Daarom is een zuiver Iraaks hof onder toezicht van de VN het best.

Wat gaat dit hof dan onderzoeken? De misdaden natuurlijk, de willekeur, de oorlog tegen Iran, de inval in Koeweit, de vergassing van duizenden Koerden in 1991. De directe verantwoordelijkheid voor dit alles. Maar ook de politieke omstandigheden? Zal bijvoorbeeld aan de orde komen dat, na de revolutie in Teheran (1979) en de gijzeling van de Amerikaanse ambassade, Saddams oorlog Washington niet onwelkom was? Zullen we meer te horen krijgen over de nasleep van de oorlog om Koeweit, toen de troepen van de coalitie bij de grens met Irak halt hielden, waarna de Koerden ontdekten dat ze vergeefs in opstand waren gekomen? En vanzelfsprekend zal de verdachte ook vragen moeten beantwoorden over zijn massavernietigingswapens en de banden met Al-Qaeda. In een dergelijk proces wordt niet alleen recht gedaan. Het biedt ook de beste gelegenheid om hiaten in de geschiedschrijving op te vullen. En het is niet denkbeeldig dat er dan een paar lijken uit de kast vallen. Het onvermijdelijke bijverschijnsel van het recht dat zijn beloop moet hebben.

Een andere vraag is welke onmiddellijke politieke invloed het proces in Irak en misschien de rest van de regio zal hebben. Vóór de arrestatie bestond het vermoeden dat Saddam zelf aan het hoofd van het verzet zou staan. De omstandigheden waaronder hij werd aangetroffen, niet te midden van moderne apparatuur voor de communicatie waarmee hij de terreur kon leiden, maar als een verwarde clochard in een soort hol, met alleen een ventilator – het doet niet aan een opperbevelhebber denken. Dit betekent dat het verzet door anderen wordt georganiseerd en geboden. Dat met de regime change het probleem zou zijn opgelost, is een vergissing, waarvan de arrestatie de bevestiging is.

Als Saddam nog politieke betekenis heeft, dan niet als `een spin in zijn web', maar – hoe onbegrijpelijk of afkeurenswaardig we dat ook mogen vinden – als symbool van Arabisch verzet tegen het Westen. Het proces zal, door zijn onbetwijfelbare objectieve, neutrale, internationale karakter, ook moeten dienen als een openbare demontage van dit symbool.

Dit zal des te meer succes hebben naarmate de wederopbouw zo snel en zichtbaar vordert dat het een demonstratie op zichzelf wordt. Het proces, de voorbereidingen daartoe en de wederopbouw zijn kanten van dezelfde zaak, of factoren die elkaar onderling beïnvloeden. Met de wederopbouw wil het niet vlotten. Een van de oorzaken is het verzet. Laten we hopen dat het na de arrestatie snel uitdooft. Een andere ligt in het gebrek aan internationale samenwerking. Ondernemingen van landen die tegen de oorlog waren, mogen van Washington niet meedingen naar de grote contracten. Wel wordt van Duitsland, Frankrijk en Rusland gevraagd dat die de schuld van het Irak van vóór Saddam kwijtschelden. Dit officiële verzoek gaat gepaard met commentaren in Amerikaanse media dat de kredietgevers `bloed aan hun handen hebben', enz.

Dat is geen verrassing. Op 18 september 2001 zei Paul Bremer in een interview met onze correspondent in Washington, Marc Chavannes: ,,Het moet uit zijn met Europese zakenlieden die bij bosjes uit vliegtuigen stappen en vette contracten afsluiten in Iran en Irak terwijl daar de aanslagen van morgen worden voorbereid. Wij vragen solidariteit van de regeringen en zullen snel genoeg weten wie onze echte vrienden zijn.'' Een paar weken geleden, toen de ministers Powell en Rumsfeld in Europa waren, leek het even alsof aanstalten werd gemaakt, de vete tot het behandelbare af te zwakken. James Baker, vertrouweling van Bush, reist de betrokken hoofdsteden af om een regeling te treffen. Maar na de arrestatie zien we opnieuw dat men het in Washington op z'n minst niet eens is over deze, de moraal rakende kwestie. Dat de firma Halliburton, eertijds onder de directie van vice-president Cheney, driemaal de prijs van de brandstof voor de troepen in Irak heeft berekend, is een zaak van Amerikanen onderling.

Na het sluitstuk van de regime change blijft Irak het grote vraagstuk. Het maakt internationale organisaties machteloos, het splijt bondgenootschappen, het verdeelt de `internationale gemeenschap' en het vergiftigt de publieke opinie, terwijl het punt één op de wereldagenda is. Onder zulke omstandigheden werd in de Koude Oorlog een topconferentie belegd. Het grootste vraagstuk is, dat onze staatslieden aan de top daar volstrekt geen zin in hebben.

    • H.J.A. Hofland