De onderkant

Bij iedere inkomensverdeling hoort een onderkant. Deze wordt gevormd door de huishoudens met een laag inkomen – gedefinieerd als (iets) boven het sociale minimum van de bijstand of de AOW. Sinds het midden van de jaren negentig is het aantal huishoudens met inkomens onder deze lage inkomensgrens gestaag gedaald, van vijftien procent naar minder dan tien procent (636.000 huishoudens) van alle zeven miljoen huishoudens in Nederland in 2001. In die daling is een knik gekomen. Er is sprake van een lichte stijging en volgend jaar zal het aantal arme huishoudens toenemen tot elf procent, stelt het Sociaal en Cultureel Planbureau (SCP) vast in de jongste zogeheten Armoedemonitor. Nu de koopkrachtplaatjes weer terug zijn in het middelpunt van het politieke debat en de oppositie het sociaal-economische beleid van het kabinet-Balkenende aanvalt, gaat hier onevenredig veel aandacht naar uit.

In dezelfde Armoedemonitor valt namelijk te lezen dat ongeveer een derde van de huishoudens met een laag inkomen binnen een jaar boven de armoedegrens uitkomt. Het gaat dus niet om een statische, maar om een in samenstelling veranderende groep. Ruim de helft van de mensen die een uitkering hebben en een baan vinden, gaan er in inkomen zoveel op vooruit dat ze niet langer tot de minima behoren. De groep huishoudens in langdurige armoede – vier jaar of langer – bestaat uit vijf procent van het totale aantal huishoudens. De sociale kwestie is geconcentreerd bij bepaalde bevolkingsgroepen. Er is sprake van feminisering en etnisering van de armoede. Eenoudergezinnen – vrijwel altijd vrouwen met kleine kinderen – vormen een derde van alle arme huishoudens. Hoewel het aandeel van niet-westerse allochtone huishoudens met een laag inkomen is afgenomen, hoort nog altijd een derde van deze huishoudens tot de onderste laag van de Nederlandse samenleving. Door de toename van het aantal niet-westerse allochtonen neemt hun aandeel op het totaal van arme huishoudens niettemin toe en dit bedraagt inmiddels bijna twintig procent.

Na de afname van de armoede in de jaren negentig is er volgens het SCP nu sprake van een trendbreuk. Dit komt door de stagnatie van de economie. Drie jaar economische stilstand betekent dat er geen nieuwe welvaart is gecreëerd, er geen toename van de werkgelegenheid is en er minder valt te herverdelen. Aangezien de arbeidsmarkt de beste bestrijding van de armoede biedt, is een geringe stijging van het aantal huishoudens onder de lage inkomensgrens niet verwonderlijk. Daar komt bij dat de ombuigingen en bevriezing van de uitkeringen door het kabinetsbeleid volgend jaar hun uitwerking niet zullen missen. De inkomensachteruitgang die het overgrote deel van de bevolking te wachten staat, komt voor lage inkomensgroepen des te harder aan.

De Tweede Kamer gaf gisteren lucht aan haar ongenoegen hierover in een debat, aangezwengeld door SP-leider Marijnissen, over de `uitholling van de georganiseerde solidariteit' door het kabinet-Balkenende II. Niet alleen PvdA, GroenLinks en SP haalden uit, maar ook de ChristenUnie en SGP. Die laatste twee steunden de motie van afkeuring tegen het kabinet niet, maar er was wel sprake van een opmerkelijke christelijk-socialistische eensgezindheid dat de overheid als `schild van de zwakken' moet dienen. Die beleving staat haaks op de nadruk van de eigen verantwoordelijkheid waarmee het christen-liberale kabinet-Balkenende schermt. Nu de welvaartsgroei afwezig is en iedereen moet inschikken, komt deze ideologische scheidslijn scherp naar voren. Voor de tien procent aan de sociaal-economische onderkant van de samenleving een schrale troost. Hun vooruitzichten verbeteren pas als de economie weer langdurig aantrekt. Ondertussen moet Nederland wel oog houden voor de sociale uitsluiting, maar deze niet dramatiseren. Er blijft altijd een onderkant.