Gecontroleerd dualisme

Verbreden én verdiepen, uitbreiden én slagvaardiger worden, transparanter voor de burgers én vechten om de macht namens die burgers, communautair integreren én intergouvernementeel nationale belangen dienen. De kwadratuur van de cirkel als doelstelling in een gezelschap van intussen 25 Europese staten met zeer uiteenlopende belangen, culturen, geschiedenissen en economische kracht. Recente verdeeldheid over Irak en over de naleving van het pas zes jaar oude Stabiliteitspact en slepende conflicten over de formele verdeling en hantering van de macht in het Europese bestuur hadden hun schaduwen al vooruit geworpen. Kortom: het mislukken van de EU-top in Brussel, van de zoveelste aanloop naar een goede verhouding tussen potenties, pretenties en politieke effectiviteit, kon eigenlijk niet verbazen. Volgens Europese optimisten, die zichzelf graag realisten noemen, horen zulke bijna-crises er nu eenmaal bij en is zo'n stap achteruit al vaker geschikt gebleken om later alsnog een grote stap vooruit mogelijk te maken. Dat nieuwe Europese verdrag komt er wel, mits er genoeg tijd, beraad en geduld in geïnvesteerd wordt, is hun redenering. Maar, is de vraag, steunt die redenering niet op ervaringen uit vervlogen tijden? Tijden waarin de Koude Oorlog woedde, waarin net als in de NAVO de samenbindende angst voor de Sovjet-Unie groot en de herinnering aan de Tweede Wereldoorlog nog tamelijk vers was bij een groot deel van het publiek en de politici in de toenmalige, qua ledental kleinere, Europese Gemeenschap? Tijden, al met al, waarin de politieke en ideële lading van het project-Europese integratie bij burgers en politici zwaarder woog dan vandaag? Wie zich de geschiedenis voor de geest haalt sinds 1990, sinds het einde van de Europese deling, en langs de verdragen van Maastricht, Amsterdam en Nice in Brussel aankomt, voelt twijfel opkomen.

In Nederland, bijvoorbeeld, is het debat over Europa nu voor veel burgers nagenoeg gereduceerd tot vragen als: wat kost het en wat krijgen we ervoor terug? Waarbij de enorme exportbaten uit het Europese gebied veelal buiten beschouwing of onderbelicht blijven. Van de grote politieke partijen heeft de VVD, onder haar gewezen stalmeester Bolkestein, de electoraal scherpste neus voor deze veranderde Europese stemming ontwikkeld (en bewaard sinds hij in 1999 Eurocommissaris werd). Met die scherpe neus werd scherp gezeild, zolang de politieke opportuniteit dat toeliet. Voorbeeld: Bolkesteins uiteindelijk opgegeven verzet, mede uitgedragen door zijn partijgenoot Zalm op Financiën, tegen toelating van Italië tot het eerste euro-gelid. Er zijn meer voorbeelden van zulk scherp VVD-zeilen met uiteindelijke instemming in de Tweede Kamer als vaste anticlimax. Gecontroleerd dualisme dus, als het ware.

De VVD leidt vandaag, onder Jozias van Aartsen, minister van Buitenlandse Zaken van 1994 tot 1998, nu fractieleider in de Tweede Kamer, ook het openbare verzet tegen het ontwerp-verdrag voor Europa dat onder leiding van de vroegere Franse president Giscard d'Estaing is gemaakt en dat afgelopen weekeinde op de mislukte top in Brussel op tafel lag. Giscard en zijn Conventie zijn zowel de machtsvragen (verdeling van de stemmen per land, beslissende saldi qua stemmen en inwonertal) en besluitvormingsproblemen (geen nationaal vetorecht meer op meerjarenramingen voor de uitgaven van de EU) niet uit de weg gegaan in een werkstuk dat nog intergouvernementeel genoeg was om Parijs (en Londen) redelijk te bevallen. Voor Nederland, dat `netto betaler' is in de EU (dus meer aan Brussel afdraagt dan het ontvangt), is de afschaffing van dit vetorecht een teer punt. De electoraal attente VVD (,,wat kost die EU ons en wat krijgen we terug?') eist daarom van de regering dat zij, op straffe van het verlies van liberale steun voor een nieuw verdrag, vecht voor handhaving van dat recht. Die soep zal te zijner tijd niet zo heet worden gegeten, want je kunt je moeilijk voorstellen dat de VVD in de Kamer als regeringspartij een door de regering getekend Europees verdrag afwijst, waaraan partijgenoten als Zalm (minister van Financiën) en Nicolai (staatssecretaris Europese Zaken) gebonden zijn. Nog minder kun je je voorstellen dat de VVD een verdrag afwijst dat, in de tweede helft van 2004, onder Nederlands EU-voorzitterschap tot stand zou zijn gekomen.

Voor nettobetaler Nederland, die overigens voelt voor meerderheidsbesluiten zonder rem van nationale veto's, zijn andere oplossingen mogelijk. Hantering van een zogenoemde `nettobegrenzer' bijvoorbeeld, die helpt voorkomen dat een land onredelijk hoge contributies betaalt vergeleken met zijn economische positie. Maar het is natuurlijk wel mooi wanneer je over zoiets als zo'n netto begrenzer uiteindelijk kunt zeggen dat de toepassing ervan te danken is aan de druk van de VVD op de regering. Zoals van een andere VVD-eis aan de regering, namelijk het behoud van een eigen Eurocommissaris per land, te zeggen is dat zóveel kleine en nieuwe leden van de EU dat willen dat die eis sowieso wel op een of andere manier zal worden ingewilligd. Het tweede kabinet-Balkenende mag blij zijn, hoor je nu, dat het door de mislukking van de EU-top bevrijd is van een riskant, mede door de VVD gewenst referendum over een nieuw EU-verdrag, annex aan de verkiezingen voor het Europese Parlement (10 juni 2004). Maar de echte begunstigde lijkt de VVD, die haar electoraal aantrekkelijke dualisme aangaande een nieuw Europees verdrag nu wat langer, misschien wel tot na 2004, kan voortzetten.

Op een Europese Top onder Belgisch voorzitterschap werd december 2001 besloten tot instelling van een honderdvijfkoppige Conventie die een nieuw Europees verdrag zou ontwerpen. Volgens velen zou de toenmalige premier Kok een goede kans op het voorzitterschap van die Conventie hebben gemaakt mits hij belangstelling had getoond. Maar Kok was onzeker of hij dat wilde en bovendien moest hij die top voortijdig verlaten om tijdig op het PvdA-congres aanwezig te zijn dat Melkert zou kiezen als lijsttrekker. Die EU-commissie kreeg Giscard als voorzitter, de PvdA een mislukte partijleider.

Het is iffy, maar misschien zou het nationale debat heel anders zijn geworden wanneer Kok twee jaar geleden wél genoeg zin zou hebben gehad in een Europees karweitje.

Gerectificeerd

Van Aartsen

In de column Gecontroleerd dualisme (16 december, pagina 8) staat dat Jozias van Aartsen van 1994 tot 1998 minister van Buitenlandse Zaken was. Hij bekleedde die functie in de periode 1998-2002. Van 1994 tot 1998 was Van Aartsen minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij.

    • J.M. Bik