Een grondwet kan niet van bovenaf worden opgelegd

Europa ontbeert, in tegenstelling tot de VS, nog steeds een gezamenlijk economisch, sociaal en democratisch fundament dat voorwaarde is voor een grondwet, meent Maarten Huygen.

Een grondwet is het deksel op de pot, het sluitstuk van een gemeenschappelijke identiteit. Geen wonder dat de Europese regeringsleiders die veel nationale identiteiten vertegenwoordigen er afgelopen weekeinde niet in slaagden om zo'n grondwet van bovenaf op te leggen. De ontwerpers van de Europese Constitutie vergeleken zichzelf soms met de founding fathers van de Verenigde Staten, maar er is geen spoor van gelijkenis. De Amerikaanse `founding fathers' maakten hun grondwet nadat Amerikaanse revolutionairen de Britse overheerser hadden verslagen. Zo'n wapenfeit heeft zich voor Europa nog niet voorgedaan.

Het Engelstalige Amerika, waar zoveel Europeanen zich graag tegen afzetten, is juist een mooi voorbeeld voor Europa, omdat het ondanks alle gebreken echt is geslaagd om onder zeer uiteenlopende volkeren en talen een gemeenschappelijk sociaal, economisch en democratisch fundament te leggen. Met een Europese cultuur en identiteit wil het niet vlotten, ondanks allerlei subsidies uit Brussel voor gemeenschappelijke culturele projecten.

Grootste obstakels tot een gemeenschappelijke cultuur zijn de vele talen in Europa, de deken waaronder de vele uiteenlopende identiteiten kunnen voortbestaan. Gek genoeg wordt die taalverscheidenheid juist gekoesterd door de Europese autoriteiten. In plaats van een gemeenschappelijk Europees forum bestaat er een kakafonie van zenders en kranten die keurig binnen de nationale grenzen blijven en elkaar nergens overlappen. Amerikaanse mediaproducten, films, tv-series, muziek, computerspelletjes en pretparken reizen met groot succes door heel Europa. Europese acteurs worden alleen in heel Europa bekend als ze naar Amerika gaan. Een typische Europese filmster is de huidige Californische gouverneur, Arnie Schwarzenegger. Het Europese Engels, de taal van het Europese songfestival, zou de enige mogelijkheid bieden een gemeenschappelijke cultuur te vormen, maar schrijvers, kunstenaars of componisten zijn in de eerste plaats Frans, Duits of Nederlands en niet Europees. Wat de vele gevestigde Europese culturen bindt, is oppervlakkig.

In Amerika zijn de verschillende culturen niet apart in hun eigen taalhutje gebleven maar ze produceerden nieuwe vormen die door de hele natie werden geaccepteerd. Het hele land – zwart of blank – gaat groen gekleed voor de veramerikaniseerde versie van de Ierse St. Patrick's Day. Jazz, gemoderniseerde, verwesterde Afrikaanse muziek, wist al heel vroeg de etnische grenzen van de zwarte Amerikanen te doorbreken en werd wereldwijd populair. Hetzelfde gebeurt met rap-muziek. Europa mist een dergelijke transformatiecultuur die, zoals in Amerika, verscheidene etnische elementen in vereenvoudigde, meer aantrekkelijke vorm naar de hoofdcultuur laat doorstromen, waarna het nieuwe verschijnsel misschien in geglobaliseerde vorm de wereld te verovert. Die Amerikaanse wereldcultuur is zo comfortabel en zo gemakkelijk internationaal over te nemen dat bewoners van Europese landen, die beter kennen dan de culturen van andere Europese landen.

De meeste Nederlanders weten minder van Italianen of Grieken, laat staan van de aanstormende Polen en Esten, dan van Amerikanen. Die Amerikanen zijn dagelijks op tv te zien. Bijna iedereen kent de intieme, huiselijke omstandigheden van Amerikanen uit overvloedig nieuws, soaps, films en comedies. Iedereen weet dat je in Amerika bij de voordeur meteen de huiskamer binnenkomt, maar hoe zit dat eigenlijk in Beieren? Gebruiken ze daar ook gele schoolbussen? De anti-Amerikaanse afweerreacties zijn mede resultaat van de intense manier waarop Europeanen met dat continent bezig zijn.

Er wordt naar allerlei kenmerken gezocht waarin Europa zich zou onderscheiden van Amerika of andere landen. Zo zou het socialer of democratischer zijn dan Amerika. Europa mag dan de bakermat zijn van de democratie, de praktijk in Brussel is ondemocratisch. Na talloze internationale verdragen en herzieningen daarvan is in Brussel een byzantijns besluitvormingsstelsel ontstaan, met per onderwerp wisselende bevoegdheden van ministerraden, een Europese Commissie en een Europees Parlement dat als medezeggenschapsraad fungeert. In Europa is de politiek uitgeschakeld.

Daarbij vergeleken is het Amerikaanse federale stelsel, met zijn ingebouwde remmechanismen en toezichtmogelijkheden, een wonder van democratie. Democratie betekent inspraak van de burgers en begrenzing van overheidsmacht. Die begrenzing is in de Europese concept-grondwet, met zijn vele open mandaten en rechten (energie, milieu, onderwijs, volksgezondheid), niet zo helder.

De Europese Unie is geen staat, maar heeft wel veel wetgevende en controlerende bevoegdheden overgenomen van nationale parlementen. Maar omdat een gemeenschappelijke cultuur ontbreekt, steunt de wetgeving van de EU op intergouvernementeel overleg en durven de lidstaten beperkt invloed af te staan aan het Europese Parlement. Een Amerikaans Congreslid zou schrikken van de geringe invloed op de wetgeving van zijn Europese collega's, terwijl die wetgeving steeds belangrijker wordt en de helft van de regels in Europa bevat. Democratie hoort dus eerder bij de Amerikaanse dan bij de Europese identiteit.

Europeanen kunnen zich beroepen op de Verlichting en de Franse Revolutie met mensenrechten en de principes van gelijkheid, vrijheid en broederschap, maar die elementen zijn in Amerika, Canada en Australië zeker zo sterk ontwikkeld. De Europese concept-grondwet telt meer mensenrechten dan de Amerikaanse, maar daarin worden ook kwesties die aan parlementen toebehoren uitbesteed aan niet gekozen rechters, zoals recht op werk, recht op veiligheid, recht op kosteloze arbeidsbemiddeling. Wat voor nieuwe Europese mandaten en richtlijnen of rechterlijke uitspraken zullen eruit voortvloeien? Niemand die het weet. Overdaad aan mensenrechten kan de macht van de overheid juist uitbreiden in plaats van inperken. De Europese Unie lijkt op een ondemocratische rechtsstaat, vol rechten en mogelijke rechtsprocedures, maar zonder veel invloed van de burgers.

In sociaal opzicht onderscheidt Europa zich weinig van de VS. Het sociale recht om te werken wordt in Amerika beter verwezenlijkt dan in Europa, zonder dat er íets over in de Amerikaanse constitutie staat. De werkloosheid is daar lager en immigranten kunnen er sneller aan de slag. Het Amerikaanse sociale vangnet (bijstand, AOW) is gebrekkiger dan de Noord-Europese vangnetten, maar het zit hechter in elkaar dan de sociale wetgeving van sommige Zuid-Europese landen, laat staan die van nieuwe toetredende Oost-Europese naties. De Franse banlieues zijn er qua leefomstandigheden beroerder aan toe dan menig Amerikaanse getto. Immigranten hebben in Europa gemiddeld een slechtere positie dan in Amerika, omdat ,,geregistreerd eigen volk eerst'' het fundament is van de solidariteit in de vele Europese verzorgingsstaten.

Europese landen hebben misschien gemiddeld betere uitkeringen dan Amerika, maar minder werk voor immigranten. Discriminatie is op sommige terreinen in Europa ernstiger dan in de Verenigde Staten en er is minder juridisch verweer tegen. Europese leiders willen tegelijk zowel een sterkere verzorgingsregio dan de Verenigde Staten scheppen als de sociale voorzieningen afslanken om meer mensen aan het werk te krijgen. Het is nog onduidelijk hoe ver Europese regeringen van het Amerikaanse model zullen eindigen.

Een duidelijke identiteit ontstaat vaak in tijd van oorlog, in verzet tegen een andere macht. Nederland, eerst een intergouvernementele confederatie van losse provinciën, werd pas een eenheid in de strijd tegen Spanje. Maar tegen welke tegenstander moet Europa zich verweren? Tegen Amerika? Met Amerika hebben de Europese landen juist meer gemeen dan met elkaar. De Europese landen zijn politiek sterk verdeeld over hun houding tegenover Amerika, bleek tijdens de oorlog in Irak. Het is wel zo dat de Amerikaanse politiek zich minder bekommert over Europa dan ten tijde van de Koude Oorlog en dat er minder bescherming valt te verwachten uit Washington, maar de onderlinge solidariteit van Europese landen is ook niet erg groot. Kijk naar het rijke Frankrijk, dat nog steeds veel landbouwsubsidies naar zich toe trekt ten koste van armere aanstaande Oost-Europese lidstaten, dat eist dat het Europese Parlement elke maand één week uit Brussel op appèl verschijnt in Straatsburg. Amerika is geen slechtere vriend dan Frankrijk. En waarom zou Frankrijk toegeven?

De hegemonie van Amerika kan snel worden aangetast, zodat het geestverwante bondgenoten nodig heeft en uit het voorgaande blijkt dat Europa zo'n geestverwant is. Ook in Irak kan Amerika het niet alleen af. De economische en politieke groei vindt plaats in China, Zuidoost-Azië en India, landen die zich niet identificeren met Europa of Amerika. De westerse landen, Amerika, Oceanië en Europa, worden met hun democratische verworvenheden en gemeenschappelijke eigenaardigheden eenzamer en kleiner in de wereld. Europa blijft een economisch en militair zwakker continent dan Amerika en kan niet zonder de – weliswaar steeds geringere – transatlantische ondersteuning die het krijgt. Als Europa zich afzet tegen Amerika, verliest het.

De geografische nabijheid van de Europese landen is wel een stevig fundament voor de economische statenbond die ze nu vormen. De onderlinge handel van de Europese landen is veel groter dan de handel met Amerika. Maar een grondwet gaat veel verder en kan alleen dienen als een bekroning van een reeds ontstane Europese identiteit, niet als middel om zo'n identiteit te forceren. Uit talloze voorbeelden van mislukte naties in de wereld – sommige met de prachtigste constituties – blijkt dat zonder zo'n gemeenschappelijke Europese identiteit en zonder een gemeenschappelijk forum een Europese grondwet en een democratie niet kunnen functioneren. Alleen door begrenzing van haar niet democratisch gefundeerde aanspraken op de burgers maakt de Europese Unie kans om ooit een Europese eenheid tot stand te zien komen.

Maarten Huygen is redacteur van NRC Handelsblad.