Amerikaanse toestanden

Oliver Brown was een Amerikaanse spoorwegemployé, die naar de rechter stapte omdat zijn dochtertje niet werd toegelaten tot de Monroe Elementary School in Topeka (Kansas). Omdat ze zwart was. Brown zette door tot aan het Hooggerechtshof, en hij kreeg in 1954 gelijk: het hof bepaalde dat de oude doctrine van `gelijk maar gescheiden' niet strookte met de grondwet en dat het meisje moest worden toegelaten. Daarmee was met één uitspraak de officiële segregatie van wit en zwart op Amerikaanse scholen verboden.

Onlangs haalde zowel het VVD-Kamerlid Ayaan Hirsi Ali als de rechtsfilosoof en tv-columnist Paul Cliteur deze uitspraak, bekend als Brown versus Board of Education, aan om te bewijzen hoezeer Amerika vooruit is op Nederland als het gaat om gelijkheid in het onderwijs. Beiden zagen in de uitspraak een argument voor een verbod op scholen met kansarme kinderen van één etnische afkomst (lees: islamscholen, waar de discussie over begonnen was.)

Het aanhalen van deze gerechtelijke uitspraak door Hirsi Ali en Cliteur is om verschillende redenen opmerkelijk, en ook al wordt het nieuws beheerst door de vangst van Saddam Hussein als holenmens, het onderwerp zal ongetwijfeld op de binnenlandse agenda terugkeren. De opmerkingen van de Amsterdamse bestuurder Rob Oudkerk over het beknotten van bijzonder onderwijs in die stad, zoals gisteren weergegeven in deze krant, waren al een signaal.

Eerst een ideologisch punt. Hirsi Ali is een VVD-Kamerlid dat wil afrekenen met het betuttelen van minderheden door een politiek-correcte overheid. Cliteur is een conservatieve publicist die polemiseert tegen de decadentie van de Nederlandse politiek, rechtspraak en cultuur sinds de jaren zestig. Het gekke is nu, dat Brown versus Board of Education in Amerika juist geldt als een progressieve uitspraak, die volgens conservatieve critici heeft geleid tot ongewenste overheidsinterventie en betutteling van minderheden. Het was een impuls voor het naoorlogse juridisch activisme in de Verenigde Staten: de rechterlijke macht die, onder druk van sociale bewegingen, politieke uitspraken doet van verstrekkende betekenis, zoals later over het recht op abortus. Deze uitspraak van het Hooggerechtshof in het bijzonder had een stringent toezicht van de Amerikaanse overheid tot gevolg voor tal van scholen: nog in 1992 stonden vijfhonderd schooldistricten onder federaal toezicht, om naleving van de uitspraak af te dwingen.

Brown was, met andere woorden, het prototype van de politiek gemotiveerde, rechten afdwingende rechtspraak waar conservatieven als Cliteur doorgaans zo van gruwen (ook al doen conservatieve rechters in het huidige Amerikaanse Hooggerechtshof trouwens in politiek activisme niet onder voor hun linkse voorgangers in de jaren vijftig). Eén van zijn stokpaardjes is het verval van de Nederlandse democratie door toedoen van rechters die burgers de gelegenheid geven altijd maar hun rechten op te eisen. In een toespraak bij de 85ste verjaardag van J.L. Heldring, opgenomen in het boekje De conservatieve uitdaging, zei hij eind 2002: ,,De narcistische preoccupatie met rechten is doorgeslagen naar een veronachtzaming van plichten. Deze preoccupatie met rechten heeft geleid tot een proliferatie van mensenrechten, waardoor rechters het primaat van de democratische politiek bijna geheel hebben ondermijnd en we zijn komen te leven in een óndemocratische rechtsstaat.''

Neem me niet kwalijk, maar dat is grotendeels de kritiek die Amerikaanse conservatieven hadden (en hebben) op Brown versus Board of Education. Een preoccupatie met rechten, een verwerpelijk voorbeeld van inmenging door politiek-correcte rechters in de zaken van vrije burgers. De uitspraak kreeg niet voor niets een vervolg in 1968, met Green versus County School Board, waarin werd bepaald dat scholen de `positieve plicht' hebben discriminatie te bestrijden. Brown gaf dus de aanzet tot affirmative action, de positieve discriminatie waar conservatieven óók fel tegen zijn. Dus ofwel Cliteur is op dit punt zijn kritiek op de politisering van de rechterlijke macht niet trouw, ofwel hij argumenteert maar wat raak omdat in de strijd tegen islamitische scholen elke knuppel er één is.

Dan een bijkomend punt, de context. Het triomfalisme van Hirsi Ali en Cliteur over Brown en Amerika dat ons ver vooruit is, negeert de problematische en omstreden nasleep van de uitspraak. Ja, het was een sprong vooruit in de strijd tegen het racisme in de Amerikaanse samenleving. Het heeft geholpen: in 1992 bezocht nog `maar' 26,6 procent van de zwarte kinderen in de zuidelijke staten puur `zwarte' scholen. Maar de uitspraak leidde ook tot zware federale controle en het ellendige experiment met busing (het vervoeren van zwarte kinderen naar witte scholen en andersom). Na die ervaringen klinkt in Amerika nu juist weer steeds luider de roep om eigen zwarte scholen, omdat men het gesjoemel met positieve actie van de gemengde instellingen beu is. Beroerd misschien, maar het geeft aan dat Brown geen onverdeeld hosanna was voor het Amerikaanse onderwijs. De verloedering van openbare scholen in de grote steden is overigens onverminderd doorgegaan door andere oorzaken, zoals witte vlucht naar suburbia en federale bezuinigingdrift.

En dan de hamvraag. Slaat de vergelijking met Nederland ergens op? Brown stelt vast dat `segregatie inherent neerkomt op ongelijkheid', en in dat opzicht zou je de uitspraak inderdaad kunnen gebruiken in Nederland, maar dan tegen al het bijzonder onderwijs. Over de merites van artikel 23 valt frank en vrij te discussiëren, waarom niet? Maar dat is niet wat hier gebeurt, dit is via een omweg een poging islamitisch onderwijs onmogelijk te maken.

Juist op dat punt gaat de vergelijking mank. Het probleem in Amerika was een bedoelde, officiële scheiding van zwarte en witte kinderen, een legale vorm van racisme die scholen toestond zwarte kinderen te weren. Het probleem in Nederland is daarentegen een onbedoelde, spontane segregatie van kinderen, door ouders die gebruik maken van hun recht op vrije onderwijskeuze. Dat is iets heel anders. Het probleem dat Hirsi Ali en Cliteur zien wordt veroorzaakt doordat de Nederlandse staat scholen wèl gelijk behandelt: iedereen mag een school oprichten en krijgt daarvoor dezelfde middelen. Tornen aan dat bestel, omdat het leidt tot een ongewenste etnische of sociale verdeling van kinderen over scholen is niet absurd, maar het erbij halen van Brown versus Board of Education is dat wel.

    • Sjoerd de Jong