Advies: rijk kan zijn deel collectie-Koenigs houden

Het rijk hoeft 34 schilderijen, voornamelijk van Rubens, en 37 tekeningen van met name Duitse meesters zoals Dürer uit de collectie-Koenigs niet terug te geven. Dit adviseert de Restitutiecommissie onder voorzitterschap van oud-staatsraad J.M. Polak aan de staatssecretaris van Cultuur die de zaak aan de commissie had voorgelegd. Staatssecretaris Van der Laan maakt morgen haar beslissing bekend.

De claim werd ingediend door Christine F. Koenigs, kleindochter en erfgenaam van collectioneur en zakenman Franz W. Koenigs, die sinds 1997 ijvert voor teruggave. Zij heeft vergeefs een beroep gedaan op het in 2001 door de regering versoepelde restitutiebeleid met betrekking tot door de nazi's geroofde kunst tijdens de Tweede Wereldoorlog en daarvoor.

De uit Duitsland afkomstige zakenman Koenigs (1881-1941) bracht in de jaren twintig van de vorige eeuw in relatief korte tijd een uitzonderlijke verzameling oude tekeningen en schilderijen bijeen. Vooral de collectie van ruim 2.100 tekeningen gold als zeer belangrijk. Na zijn verhuizing naar Nederland, waarvan hij vlak voor de oorlog het staatsburgerschap kreeg, gaf Koenigs zijn verzameling in bruikleen aan het toenmalige museum Boijmans in Rotterdam. Tijdens de economische crisis van de jaren dertig moest hij zijn verzameling belenen bij de bank Lisser & Rosenkranz. Vlak voor de Duitse inval in 1940 ging deze bank, die een joodse directie had, in liquidatie. Koenigs verloor zijn collectie.

De tekeningencollectie en een aantal schilderijen werden door de bank verkocht aan de Rotterdamse magnaat Van Beuningen voor een miljoen gulden. Het was de bedoeling dat hij de collectie in het Rotterdamse museum zou laten, maar in 1941 verkocht hij 527 bladen voor een bedrag van 1,4 miljoen gulden aan de Duitser Posse voor het museum van Hitler in Linz. De meeste andere tekeningen schonk Van Beuningen aan het museum Boijmans dat later mede zijn naam zou dragen.

Het uitvoerige rapport van de commissie-Polak vermeldt diverse andere transacties, waaronder de verkoop door Koenigs zelf van een aantal schilderijen aan de Duitse handelaar Miedl, die ze weer doorverkocht aan de Duitse nazi-leider Göring. Na de oorlog is een belangrijk deel van de collectie-Koenigs als oorlogsbuit in beslag genomen door Rusland. De Nederlandse regering is verwikkeld in een moeizame discussie over teruggave. De Restitutiecommissie blijft daar buiten. Zij behandelt alleen de schilderijen en tekeningen die door Nederland uit vijandelijk bezit zijn gerecupereerd en opgenomen in de rijkscollectie. De tekeningen en de meeste schilderijen zijn op dit moment in bruikleen bij het Museum Boijmans Van Beuningen. De andere daar aanwezige werken uit de voormalige collectie-Koenigs vallen buiten zeggenschap van het rijk.

De Restitutiecommissie verwerpt de stelling van Christine Koenigs dat het verlies van de collectie in 1940 is toe te schrijven aan de oorlogsdreiging. Er was geen direct verband met het nazi-regime. Het bezitsverlies van Koenigs had ,,uitsluitend een economische-zakelijke oorzaak''. Door financiële maatregelen in Duitsland (de zogeheten Stillhalte) kon hij niet beschikken over het Duitse deel van zijn vermogen en moest hij wel geld lenen in Nederland met zijn kunstbezit als onderpand. Het verlies van de collectie was het gevolg van de omstandigheid dat hij de lening aan de vooravond van de oorlog niet kon terugbetalen.