Muziekdagen volgens Breuker zijn dolle boel

Een dolle boel waren dit jaar de Nederlandse Muziekdagen, en met een eigenzinnig musicus als Willem Breuker als gastprogrammeur viel dat ook te verwachten.

Er kon dit weekeinde in Muziekcentrum Vredenburg veel worden gelachen. Sommige luchtige entr'actes, de Spierdijkse Dansers of mee te zingen zeemanssmartlappen, duurden zelfs langer dan de omringende composities, want Breuker had gestreefd naar stukken van maximaal een kwartier. Er was filmmuziek, jazz, een compositieconcours, een gezamenlijk werkstuk van 44 componisten die elk een fragment van één maat inleverden, een stoelendans annex pianomarathon van vier machobeukers op drie vleugels. Zelfs de goederenlift was in gebruik voor intieme pianorecitals voor één luisteraar per sessie.

Het meest bijzondere concert was zaterdagochtend het anachronistisch door de tijd verspringende programma door het toegewijd spelend Radio Kamerorkest. Naast een aantal premières werd daarin ook teruggeblikt. Verrukkelijk klonk bij voorbeeld een aria van Josina van Boetzelaer van Aerssen uit circa 1780, sprankelend voorgedragen door de rasmuzikale sopraan Lenneke Ruiten. Maar aan de stijl van Mozart had de barones/componist weinig toe te voegen, en ook Marius Monnikendam kwam in zijn symfonische beweging Arbeid (1931) niet los van zijn voorbeeld César Franck.

Subtieler en persoonlijker toonde zich de Maastrichtenaar Matty Niël (1918-1989), die in 1940 illegaal naar Wenen trok om als enige Nederlandse componist bij Anton Webern te studeren. In 1949 werd zijn werk al gepresenteerd in Huize Gaudeamus te Bilthoven, maar dat leidde toen nog niet tot een doorbraak. Voor een zo geharde dodecafonist als Niël was de tijd nog lang niet rijp. Nú bleken de Webern Varianten (1965) echter nog niets aan frisheid en glans te hebben ingeboet. Een deftig en wild allegro van langere adem en een mooi uitgedund slot plaatsen deze rondborstige Limburger zelfs als een absoluut markante persoonlijkheid binnen het Weense expressionisme.

Jan Wisse (1921) blijft in zijn Sette Aforismi – in 1957 bekroond met de Gaudeamus-Donemus-Prijs – dichter bij Webern, in deeltjes van elk slechts zes maten. De Mozart-bezetting van dit werk beperkt de mogelijkheden van zo'n verfijnde klankkleurenstudie, maar in die tijd had een uitgebreide bezetting weinig uitvoeringskans.

Van de premières bleven die van Enrique Raxach en Konrad Boehmer het langste bij. Raxach werkt aan een orkestserie van anderhalf uur, waarvan wij Chapter Five kregen voorgezet; surrealistisch, uiterst spanningsvol en Spaans broeierig naar het grandioze slot toe werkend.

Konrad Boehmer zet in Il Combattimento voor viool, cello en orkest de soloinstrumenten klem in het erop los beukend orkest, en wat volgt is één grote jachtpartij.

Meer ontspanning bood Breukers Dwarsdoorsnede voor groot orkest. Aan zijn collage was ook een prijsvraag verbonden, met beloningen als een avondje stappen met André Rieu of een middagje bij de winnaar stofzuigen door de programmeur. Sterker vond ik Breukers instrumentatie van Léon Orthels Zes Wallonische kwatrijnen (1972). Orthel blijft wel heel dicht bij Ravel, maar net als in Van Boetzelaers `Mozart'-aria realiseer je je dat pas achteraf. En weer trof de jonge sopraan Lenneke Ruiten met het Radio Kamerorkest midden in de roos.

Nederlandse Muziekdagen 2003. Gehoord: 12 t/m 14/12 Muziekcentrum Vredenburg, Utrecht.